De zelfbewuste fiets

De fiets is nu een uiting van hoogst individuele expressie.

Twee recente fietsboeken over de fiets als statussymbool.

Velo-City. Stadsplan voor Toronto van architect Chris Hardwicke alle beelden uit besproken boeken

Zoals heel wat gebruiksvoorwerpen is ook de fiets niet langer gewoon een functioneel ding, maar een uiting van hoogst individuele expressie. En zoals bij heel wat gebruiksvoorwerpen is het resultaat van dat ‘individualisme’ een vorm van voorspelbaar groepsgedrag. Studentes op hun aftandse racefietsen. Ouders die Hummergedrag vertonen met bakfietsen. Groepjes racemannen in schreeuwerige rompertjes. Ministers die hun imago een solide tintje geven met een oud-Hollandse Gazelle.

Het toenemend zelfbewustzijn leidt tot boeken over de fiets. In korte tijd verschenen er twee. In een designgeschiedenis-serie van het Premsela Instituut verscheen De Nederlandse fiets, The Dutch Bike van designcriticus Zahid Sardar, een handige introductie. En bij Nai010 uitgevers Cycle Space van een Australische hoogleraar design en architectuur, Steven Fleming. Hoewel dit laatste boek in ondoordringbaar planologenproza is geschreven, bekijkt het de stad door de ogen van de fietser, en biedt het zicht op het feit dat slimme stadsbesturen de belangen van fietsers steeds meer zijn gaan erkennen. De afstanden die fietsers afleggen en de snelheid die ze maken (10/20 kilometer per uur) zijn volgens Fleming de ideale dimensies om de stad van de toekomst op in te richten. Waarom geen fietsspiralen bij appartementengebouwen, waarom geen fietssnelwegen? Ja, waarom kunnen we niet allemaal snel, milieuvriendelijk en hip door de stad flitsen?

Fleming en Sardar voeren de Nederlandse fietsneigingen terug op het calvinisme, dat Fleming weinig uitnodigend omschrijft als ‘afzien in naam van God’. Sardar koppelt de traditionele eenvoud van het omafietsontwerp ook nog aan de ‘typische Nederlandse hang naar praktische zaken’. In feite kwam de oerhollandse fiets eind negentiende eeuw overwaaien uit Engeland, om hier folklore te worden dankzij korte afstanden en plat land.

Het zelfbewustzijn van fietsers geldt elders meer dan in Nederland, waar een fiets toch ook nog vaak een barrel is. Wie in Londen, Berlijn of Parijs voor de fiets kiest, toont dat hij thuis is in de stedelijke jungle, dat hij oog heeft voor milieu, dat hij toe kan met minder, maar wel slimmere materie. De fiets als the thinking man’s auto.

Hoe dan ook heeft de fiets net als in zijn beginjaren weer uitstekende papieren als statussymbool, nu ‘terugkeer naar eenvoud’, en ‘puur’ dé modewoorden zijn als het gaat om consumptie voor gevorderden. In sommige Nederlandse rijke stadswijken heeft de bakfiets misschien wel meer aanzien dan de gezinsauto.

Bovendien: zelf een auto bouwen gaat wat moeilijk, maar onder handige jongens met een liefde voor het simpele rijwiel schept de alomtegenwoordigheid van het massaproduct weer ruimte voor ambachtelijkheid. In Sardars boekje staan heel wat seksloze suffe fietsen (nog nooit een echt blitse e-bike gezien, bijvoorbeeld), maar ook genoeg voorbeelden van superieure aerodynamische knutselarij. Stadsfietsen die je met één pink op kunt tillen, fietsen van titanium en koolstofvezel, fietsen van glanzend hout. Kijk eens naar de Cyclone van Van Hulsteijn, een fiets met een verend frame dat doet denken aan de negentiende-eeuwse vélocipède. Op de website van de fabrikant worden de technische snufjes ervan opgesomd als betrof het een auto. In de fietsgeschiedenis is nu de cirkel rond omdat het wiel opnieuw wordt uitgevonden.

Zahid Sardar: De Nederlandse fiets,The Dutch Bike. Premsela/Nai uitgevers, 160 blz., 22 euro. Steven Fleming: Cycle Space. Nai uitgevers,160 blz., 19,50 euro.