‘Al schrijvend ontsta ik’

Bij een bord bami vertelt schrijver Frans Thomése over zelfkanttoerisme, zelfonderzoek en zijn nieuwste boek. ‘Hard werken is voor de dommen in de kunst.’

Frans Thomése: ‘Als nutteloze klaploper heb ik toch mijn burgerplicht gedaan.’ Deze maand verscheen zijn roman Het Bamischandaal.

Het zal mij benieuwen welke Frans Thomése ik zal aantreffen bij Kam Kee op de Zeedijk in Amsterdam. Zijn nieuwste boek Het Bamischandaal speelt zich grotendeels af in Shanghai, vandaar dat hij zelf voorstelde om bami te gaan eten bij de Chinees. Maar wie zal er komen: de intellectueel die op zijn 33ste de AKO Literatuurprijs won met zijn historische bundel Zuidland? Of wordt het de vuilbekkende schrijver van J. Kessels, The Novel over de avonturen van het scheldende en schetenlatende personage J. Kessels?

In de etalage van Kam Kee hangen geroosterde pekingeenden uit te lekken. Binnen ruikt het naar schoonmaakmiddel. De tegels op de vloer en het plafond zijn grauwwit, de tl-verlichting flikkert. Geen Hollandse afhaalchinees waar J. Kessels zijn bami speciaal haalt, maar een Chinees waar Chinezen zelf eten. Alleen niet om twaalf uur, zegt de man die voor de deur staat. Hij draagt een vale lange jas, heeft kroezend haar op de flanken van zijn hoofd en een verlegen oogopslag. Hij zegt: „Chinezen lunchen nooit.” Hij ook niet trouwens, maar om nou af te spreken bij de haringkar, dat leek hem niet gepast. Voor de deur weifelt hij. „Wil je niet toch ergens anders?”

In het lege restaurant probeert hij de bamischotel te ontlopen. „Ik neem wel een soepje.” En: „Chinezen eten altijd alles op van een dier, hè.” Kikkers knippen ze op de markt gewoon doormidden, weet hij. „Het achterlijf stoppen in een plastic zakje om thuis te bakken.” Ik kijk snel bij de visgerechten op de menukaart. „Vissen ontschubben ze het liefst als ze nog leven. Dan geven ze al spartelend lekker tegendruk.”

Mij ontmoedig je niet, P.F. Thomése, mooi niet, jij wilde bami eten, dan zullen we bami eten ook. Hij neemt de bami Kam Kee. ‘Veels te dunne sliertjes’, zou J. Kessels vinden, die ook in Het Bamischandaal weer een hoofdrol heeft. Hij houdt alleen van dikke afhaalbami. Thomése gnuift: „Dit wordt de eerste bamischotel van mijn tournee. Benieuwd hoeveel collega’s van jou nu ook bami met me willen eten.”

Poepchinezen

Hoe kan deze beschaafde, wat verlegen man zoiets schrijven als het Het Bamischandaal, waarin twee vrienden al ruftend en rukkend op zoek gaan naar de derde vriend die zijn Chinese liefje achterna gereisd is naar het land der poepchinezen. Ik vraag het hem.

Het is een misverstand, zegt hij, dat een schrijver zijn persoonlijkheid uitdrukt in zijn boek. Hij schrijft niet uit ijdelheid of om zichzelf te laten zien. „Zoals Moszkowicz. Die neemt een dure auto, een blonde vriendin en hij schrijft een boek over zichzelf. Zo’n boek is een dikke, vette leugen.” Bij Thomése werkt het eerder omgekeerd. Al schrijvende ontstaat zijn persoonlijkheid.

Na zijn debuut Zuidland vonden recensenten hem heel erudiet en intellectueel. Na Schaduwkind – over de dood van zijn zes weken oude dochtertje Isa – was hij zielig. En na J. Kessels, the novel een smeerlap. Hij is het alle drie, en ook weer niet. „Ik zit in al mijn boeken verstopt. Ik schep in elk boek een ontbrekend beeld van mijzelf. Maar de P.F. Thomése van Het Bamischandaal zou mijn moeder niet herkennen.”

Want? „Ik ben verlegen van aard en netjes opgevoed. Lang niet zo voortvarend in het intergeslachtelijke verkeer als mijn alter ego in het boek, en zeker niet zo ad rem.” Ik vraag of hij het haar wel durft te laten lezen. „Ik denk dat ze dit boek aan zich voorbij laat gaan. Ze is 86. Het zij haar vergeven.”

Zijn scabreuze leven speelde zich af tussen zijn 20ste en 35ste. Hij werkte toen als verslaggever bij Het Brabants Nieuwsblad en leerde daar Jos Kessels kennen, columnist van die krant. „Met hem deelde ik de drank, de vrouwen, het zelfkanttoerisme.” De boeken met J. Kessels als personage zijn gebaseerd op wat hij zich nog herinnert van die tijd. „Nu ben ik getrouwd, vader van twee opgroeiende jongens (9 en 7) die op zaterdag langs het hockeyveld staat en op zondag bij de zwemles zit. Je leest niet mijn dagboek. Je leest de fantasie van de schrijver die ook maar wat zit te verzinnen als de kinderen op school zijn.”

Ik vraag of hij soms ook twee soorten lezers heeft. Een voor de intellectuele boeken en een voor die van J. Kessels. Mensen lezen een boek omdat iedereen erover praat, zegt hij. „Niet omdat het van die of die schrijver is.” Maar, inderdaad, de Kesselsboeken worden iets meer door jonge lezers gelezen. „Die vinden het of hilarisch, of ze vinden het walgelijk dat zo’n ouwe vent als ik van die vulgaire taal uitslaat. Dat strookt niet met hun opvatting van literatuur. Literatuur moet verheffen, verrijken.” Dat vond hij ook toen hij jong was, zegt hij. „En literatuur schrijven was een sacrale bezigheid, dacht ik.” Inmiddels weet hij dat het gewoon werk is. „En als er al genade op me neerdaalt, dan weet die me ook wel te vinden tussen het stofzuigen en boterhammen smeren door.”

Thomése zegt dat de waarheid niet interessant is voor literatuur. „Een schrijver moet de mogelijkheid opperen dat de wereld die hij beschrijft werkelijkheid zou kunnen zijn. Hij liegt de waarheid.” Vandaar de preoccupatie met verlangens, angsten, schaamte. „De krochten van het bestaan waar mensen zich liever niet wagen, of hooguit als het licht uit is. In fictie hou je de mogelijkheid dat het misschien niet waar is wat je leest, en dat maakt dat je erover durft na te denken.” Schrijven is voor hem: uitproberen wat er nu weer gaat gebeuren. „Ik wil zien wat het leven in petto heeft.” Juist daarom probeert hij in elk boek wat anders, liefst iets wat niet kan of mag, of wat wordt afgeraden. „Door te schrijven ben ik iemand geworden over wie ik me ook verwonder.”

Zoals hij het nu formuleert, lijkt schrijven voor hem vooral zelfonderzoek. Hij knikt bedachtzaam. „Het is een naar binnen gerichte bezigheid.” Uitgezonderd de een à twee weken dat een boek uitkomt, zit hij in zijn eentje in zijn werkkamer thuis in Haarlem. „Pas als een boek in de etalage ligt, begint de schreeuw om aandacht.” Voor zijn nieuwste boek maakte hij een filmpje, hij treedt op en eet desnoods een bord bami leeg. Doet hij daarmee niet precies wat hij in zijn Albert Verwey-lezing van vorig jaar andere schrijvers verweet? Namelijk de literatuur commercialiseren? „Ik moet boeken verkopen om vrijheid te kunnen kopen. Anders moet ik de post rond gaan brengen, of voor de klas gaan staan.” En daar komt bij, hij vindt het leuk. „Met z’n allen iets lolligs verzinnen om je boek te promoten, dat voelt alsof je meedoet aan het schooltoneel.”

Succesverhalen

Schaduwkind is zijn best verkochte boek. Zijn verdriet heeft hem geld opgeleverd. „Maar ik heb mijn boek verkocht, niet mijn verdriet.” Een dood kind verkoopt eigenlijk niet, zegt hij. „Onze samenleving wil succesverhalen horen. Alleen als je iets maakt van je verdriet, krijg je applaus van een bewonderend publiek. Omdat ze je zo moedig vinden dat je een potje komt grienen bij Matthijs van Nieuwkerk.” De dood en de literatuur horen bij elkaar, vindt hij. „Bij allebei is het de verbeelding die rest. Woorden kunnen wat zelfs muziek niet kan: dat wat weg is, oproepen.”

Hij meet het succes van Schaduwkind niet af aan de royalty’s, maar aan de kwaliteit van de lezersreacties. Lezers waren hem dankbaar. Ze zagen hun eigen verdriet onder woorden gebracht. Het was zijn meest noodzakelijke boek om te schrijven. „Om te kunnen overleven.” Het was ook het boek met het meeste nut. „Nut. nut. Schrijf een reisgids, zou je zeggen, die heeft pas nut.” Maar voor hem was het een openbaring. „Ik had, als nutteloze klaploper, het gevoel dat ik mijn burgerplicht had gedaan. De burgemeester had me zomaar een lintje kunnen geven voor mijn verdiensten voor de vereniging van ouders van een overleden kind.”

Een schrijver is als de leerling die uit het raam zit te staren, zegt hij. „Je camoufleert je gedrag een beetje, omdat je weet dat het niet hoort. En dan is het een opluchting als je toch een tien met een griffel krijgt van de meester.” Hij gniffelt boven zijn half lege bord bami. „Dan kan er wel weer een Kesselsboekje af.”

Voor Het Bamischandaal reisde hij naar Shanghai, waar zijn vriend Frans Schellekens woont, die hij nog kent uit de Amsterdamse kroeg. „Hij was ooit correspondent in Shanghai, maar hij is, zeg maar, in een financieel benarde situatie beland. Hij organiseert nu fietstochten door de stad.” Terloops laat hij vallen dat hij voor zijn reis een beurs kreeg van het Fonds voor de Letteren. „In mijn aanvraag heb ik gezet dat ik naar ‘De Schel’ ging om te onderzoeken of hij een geschikt personage zou zijn voor een roman. Daar heb ik dan een binnenpretje om, dat er serieus vergaderd wordt over de literaire potentie van De Schel.”

Kort na de tiendaagse reis werd er contact opgenomen door een medewerker van het fonds. Hoe het geweest was en of het boek al wilde vlotten. „Ze moeten natuurlijk wel aan de VVD en PVV uitleggen dat het geld van de hardwerkende Nederlanders goed besteed is.” Het boek was al af. Is hij zo’n harde werker? Hij wijst naar de Chinese kok die net een sigaretje opsteekt. „Vroeg naar de markt, schillen, snijden, koken. Dát is hard werken. Ik breng de kinderen naar school, werk een paar uurtjes, en dan ga ik de stad eens in om een cd te kopen.”

Hard weken is voor de dommen in de kunst, zegt hij. „Kan mij het schelen of Shakespeare hard gewerkt heeft.” De kwaliteit van de ideeën, dáár gaat het om. „Originaliteit is een mislukte imitatie”, zegt hij. Ik vraag of hij dat een keer wil herhalen. Hij smoort een inwendige grinnik. „Voor mij is deze zin ook nieuw.” Prima uitspraak toch?, vraagt hij. „Kan zo in een Chinees gelukskoekje.”

Buiten op de stoep pak ik toch nog even zijn boek erbij en blader naar pagina 127, waar P.F Thomése zich beklaagt over het gedrag van de personages en schrijft: „Zo zijn we niet getrouwd. Dit is literatuur, dit gáát ergens over. De vraag is alleen waarover?” Ik vraag of hij me hier en nu een antwoord kan geven op die vraag. Hij kijkt naar de punten van zijn schoenen en zegt dan dat hij dat helaas niet zo gauw paraat heeft.