Verzet Syrië op zoek naar leiders

Het Syrische verzet is er tijdens overleg in Qatar nog niet in geslaagd de krachten te bundelen. Vooral de ballingen vormen een obstakel.

De meer dan 400 leden van de Syrische Nationale Raad zijn sinds maandag bijeen in een luxehotel in Doha in Qatar om te praten over een nieuw en breder leiderschap van de Syrische oppositie. De raad ligt onder vuur omdat de groep niet representatief genoeg zou zijn voor Syrië, en omdat de Moslimbroederschap er een te grote rol in heeft.

De eerste berichten zijn weinig bemoedigend. Woensdag werd een nieuw orgaan van 40 leden verkozen dat de raad moet vertegenwoordigen in gesprekken met de bredere oppositie. Onder de 40 leden is geen enkele vrouw.

„De raad heeft zijn geloofwaardigheid verloren”, zegt Julien Barnes-Decay, senior policy fellow bij de European Council on Foreign Relations en Syrië-expert. „Het ontbreekt haar aan invloed in Syrië zelf.”

Bedoeling van de gesprekken in Qatar is om meer zeggenschap te geven aan de interne oppositie in Syrië. De raad bestaat nu vooral uit Syriërs in ballingschap. Maar volgens sommige mediabronnen hebben veel interne opposanten, die via Skype deelnemen aan de conferentie, het overleg al de rug toegekeerd. Toch werd het overleg vandaag met ten minste een dag verlengd, omdat deelnemers een akkoord niet geheel uitsloten.

De raad staat onder grote druk van onder meer de Verenigde Staten. Die dreigen ermee hun steun te verleggen naar een nieuwe regering in ballingschap waarin de raad een veel kleinere rol zou spelen.

„Wat er in Qatar gebeurt is positief”, zegt Barnes-Decay. „Maar het kan ook heel makkelijk mislukken. Het is een machtsstrijd en de ballingen willen de macht die ze hebben niet uit handen geven. Als de indruk bestaat dat het westen een te grote invloed uitoefent, kan dat bovendien gebruikt worden om het hele proces te doen mislukken.”

Anders dan in Libië, waar de opstandelingen met één stem spraken naar de buitenwereld, is er in Syrië altijd een grote kloof geweest tussen de rebellen en de politici. Eerder dan de strijders te vertegenwoordigen is de Syrische Nationale Raad juist op zoek naar geloofwaardigheid bij de opposanten in Syrië zelf.

„De politici en de strijders zijn heel verschillende groepen” zegt Peter Harling, Syrië-expert van de International Crisis Group. „De politici weerspiegelen de vele opinies binnen de complexe Syrische samenleving. Ze komen vooral uit de midden- en hogere klasse. De strijders zijn niet-ideologisch en komen vooral uit de lagere klasse.”

De westerse en Arabische landen in de anti-Assadcoalitie zoeken in de eerste plaats een gesprekspartner die enige controle kan uitoefenen over de rebellen, en hopelijk de extremistische groeperingen die in Syrië actief zijn kan beteugelen.

„Het conflict wordt nu gestuurd door de militaire situatie, niet door de politiek”, zegt Barnes-Decay. „Het wordt heel moeilijk de rebellen ter plaatse te overtuigen dat zij moeten luisteren naar politieke leiders.”

Als de politici enige zeggenschap willen krijgen over de strijders, zegt Harling, „dan zal dat vooral afhangen van de mate waarin zij geld en wapens kunnen bezorgen aan de opstandelingen.”

Een verenigde oppositie is ook nodig met het oog op onderhandelingen met het regime van president Assad. De Britse premier David Cameron heeft deze week gezegd dat een veilige aftocht voor Assad niet onbespreekbaar is. Een dergelijk scenario lijkt nu onwaarschijnlijk: noch het regime noch de rebellen zijn bereid tot een compromis.

Assad verklaarde gisteren in een interview met een Russisch televisiestation dat hij zal „leven en sterven” in zijn land. Een vlucht naar het Westen sloot hij uit.

„Maar vroeg of laat zal er toch via onderhandelingen een oplossing moeten komen”, zegt Barnes-Decay, „en dan heb je een politieke oppositie nodig. Ook voor de Syrische publieke opinie is dat belangrijk: de Syriërs zien nu alleen het militaire gezicht van de opstand, en velen zijn bang dat het middel erger is dan de kwaal.”

Cameron leek alvast weinig vertrouwen te hebben in een goede afloop in Qatar. Woensdag kondigde hij aan dat Groot-Brittannië directe contacten zal leggen met de militaire aanvoerders van de opstand. „Laten we wel zijn, wat we in de afgelopen achttien maanden hebben gedaan, is niet genoeg. De slachtpartijen gaan door, het bloedvergieten is vreselijk”, zei hij. „Dus laten we samenwerken om alles op alles te zetten wat we verder kunnen doen.”