Verdreven uit het paradijs door krijgers

In ‘Van oerknal tot nu’ doet Christopher Lloyd de grote greep. Maar een rode draad ontbreekt.

Heerlijk, een boek dat als een tornado door de geschiedenis zwiert. En dat ook echt Van oerknal tot nu heet. Zo breed is de menselijke geschiedenis. We bestaan uit sterrenstof, we zijn zoogdieren, landbouw en stoommachine hebben ons leven onherkenbaar veranderd en heden ten dage kampen we met overbevolking, natuurvernietiging en de atoombom. Ieder boek dat dat verhaal vertelt is een feest. En Christopher Lloyd verricht dat werk in nog geen 500 bladzijden. Lloyd is een afgestudeerd historicus die jarenlang als wetenschapsjournalist werkte bij de Sunday Times.

Lloyd vertelt over de vorming van de maan én over de opkomst van Rome. Hij loopt mee met de eerste stappen van de mensachtige Australopithecus en rent mee met de razende cavalerie van Dzjengis Khan. En hij eindigt met het dreigende uitsterven van duizenden diersoorten in de nabije toekomst. Een mooi rond verhaal, want zijn boek begon een paar miljard jaar eerder met het ontstaan van het leven.

Wat wil je als lezer nog meer?

Nou, dat de schrijver bij zo’n grote greep enigszins een rode draad door zijn verhaal weet te weven. Dat kan ook best. In zijn baanbrekende The Rise of the West (1963) concentreerde William McNeill zich op de culturele uitwisselingen die de beschaving voortjoegen. En in het standaardwerk Maps of Time, an Introduction to Big History (2004) weet David Christian de eenheid te bewaren door haarfijn aan te geven hoeveel energie ieder type samenleving aan de natuur weet te onttrekken.

Maar de enige rode draad die Lloyd biedt is een zwartgallig moralisme over zo ongeveer alles wat er sinds de opkomst van de landbouw over de mensheid heen is gekomen: militair geweld, verspilling van grondstoffen en westers imperialisme. Dat is een lesje dat gauw verveelt.

En het overtuigt ook niet. Het fundament voor Lloyds somberheid is een naïeve verheerlijking van het leven van jagers/verzamelaars in de verre prehistorie en een dromerig verhaal over de goede oude tijd van de vroege landbouw in Europa, waarin de boeren o zo vredig waren en een moedergodin aanbaden. Aan dat paradijs zou een einde zijn gemaakt door krijgers met paarden en zwaarden. Het is een oude theorie die nauwelijks nog serieus wordt genomen -– alleen al omdat er in die zogenaamd ‘paradijselijke’ aardlagen steeds vaker in stukken gehakte skeletten worden gevonden.

Dat oubollige moralisme is te verdragen als Lloyd gewoon leuke verhalen vertelt, en dat kan hij ook wel. Maar dat plezier wordt ernstig verstoord door onaanvaardbaar veel feitelijke onjuistheden en slordigheden. Al in het begin van het boek wordt de lezer wijsgemaakt dat koraal bestaat uit de skeletten van koraalvisjes. Nee, dat zijn koraaldiertjes, een totaal andere diersoort. Het Groot Barrièrerif bij Australië bestaat echt niet uit opgestapelde vissenkoppen. Lloyd haalt ook al schaaldieren en weekdieren door elkaar, net als mineralen en elementen.

Oké, denk je nog, in een dik boek staan altijd vergissingen. Maar wat te denken van Lloyds betoog dat DNA uit dubbele strengen bestaat dankzij het ontstaan van geslachtelijke voortplanting? DNA was altijd al dubbel, ook bij ongeslachtelijke oerbacteriën. Geslachtelijke voortplanting bracht plant en dier hooguit dubbele chromosomen. De theorie van Gregor Mendel legt Lloyd ook al verkeerd uit. En hij beweert ook dat niet duidelijk is of de uitdijing van het heelal vertraagt of versnelt. Man, dat staat zelfs op Wikipedia! De versnelde uitdijing van het heelal is ontdekt in 1998, in 2011 won het de Nobelprijs.

Is dit nou een geschiedenis van alles?

Bij het lezen verdwijnt de welwillendheid, terwijl in de tekst de mens nog moet verschijnen. De kleinste fouten irriteren. Nee, gist gebruik je niet om brood te bakken, maar om deeg te laten rijzen. En waarom schrijf je nou dat reptielen geen openingen in hun schedel hadden? Hoe konden ze dan eten? En hadden ze dan geen ogen?

Geschiedkundig gaat ook veel fout. Volgens Lloyd was het Egyptische koningschap alleen erfelijk via de vrouwelijke lijn. Maar dat is een vage, onbewezen theorie die ook alleen maar op de achttiende dynastie slaat.

Lloyd heeft een duidelijke voorliefde voor marginale of clichématige ideeën. Hij denkt dat het Romeinse Rijk ten onder ging aan loodvergiftiging, die de heersers gek maakte. Omdat ze te veel loodhoudende vissaus aten. Het rijk was daardoor ‘een orkaan van krankzinnigheid, genotzucht, uitbuiting en geweld’ met alleen het leven van Jezus als ‘een wonderbaarlijk moment van rust’.En na de Romeinen is het ook al prut: duizend jaar van verval, ‘een woestenij zonder levenskracht waar ziekten honger en oorlog heersten’. Daar kan de schitterende middeleeuwse cultuur (troubadours, scholastiek, kathedralen, Staten-Generaal) het mee doen. Het Incarijk wordt weer wél sterk geïdealiseerd, de machtwellust van de Inca-keizers en hun akelige kinderoffers worden verzwegen.

Soms is Lloyd een meeslepend verteller, bijvoorbeeld over de tijd van de ontdekkingsreizen. Maar altijd weer duiken bizarre ‘feiten’ op. Bijvoorbeeld dat de pioniers van die reizen, de Portugezen, in 1509 voor de kust van India een zeeslag tegen de Venetianen hadden gevoerd. Hoe komen die Venetianen ineens daar? Ze waren daar niet. Foutje.

Eerder verscheen ‘Van oerknal tot nu’ als ‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ (2008). Bij uitgeverij Dutch Media kwam ook een groot uitvouwbaar ‘wandboek’ uuit met chronologische platen door Christopher Lloyd en Andy Forshaw: Het grote wie wat waar wandboek van oerknal tot nu. €14,95