Succes is een dun richeltje

Het prentenboek Nederland van Charlotte Dematons is bejubeld. Inmiddels gelooft de illustrator van kinderboeken wel dat ze ‘iets leuks in haar kop’ heeft zitten.

Charlotte Dematons. Haarlem 31 10 2012. Fotografie: Mieke Meesen

Charlotte Dematons (55) is voor haar illustraties onderscheiden met een Zilveren en een Gouden Penseel. Niet gek voor iemand die als 18-jarige op de lerarenopleiding tekenen en textiel al snel was weggezet als ‘geen tekentalent’. Het was niet de schuld van de school, zegt Dematons nadrukkelijk; ze vond stillevens („dooie vazen tekenen”) en portretten („dat geveeg met houtskool”) een crime. Dankzij het dodelijke oordeel week ze uit naar de kunstacademie, waar ze „thuiskwam” en kon maken wat in haar hoofd zat.

Nederland, Nederland, Nederland, dat zat de afgelopen jaren in het hoofd van de geboren Française. Wat begon als een min of meer gewoon prentenboek groeide uit tot wat deze krant onder meer omschreef als „een serie compositorische kunstwerkjes en een kleurrijke landschapsatlas, een encyclopedie van ons cultureel erfgoed, van schilderkunst tot kinderliteratuur tot bewegwijzering en dakbedekking.”

Allemaal mooi, maar Dematons tekent in de eerste plaats voor kinderen, „zij zijn mijn wereld”. Dus toen ze tussentijds een jongetje een tekening voor het boek liet zien en hij er niet veel aan vond, was dat een waarschuwing. „Ik was bijvoorbeeld helemaal blij met de Febo die ik had getekend, terwijl hij denkt: so what, een snackbar. Er moest veel meer lol voor kinderen in. Ik was volkomen gefocust op Nederland geraakt.” Want ze wil volledig zijn, het gevoel hebben dat ze „de bodem heeft geraakt”. Atlassen, boeken met luchtfoto’s, reisgidsen bestudeerde ze. Ging met haar auto half Nederland door, liep, schetste en noteerde. Asperges, Artis, Afsluitdijk, een heel alfabet had ze opgesteld. En pas als kinderen het leuk vinden, is iets klaar, zegt ze in een gesprek in haar atelier in Haarlem.

„Tekenen kan bezwerend werken. Ik heb aan Nederland qua tijd dik twee jaar gewerkt, maar het heeft drie jaar geduurd voor het af was. Mijn broer, die in Canada woont, en mijn moeder, in Frankrijk, werden allebei ziek. Ik heb de ezel achterin gegooid en ben naar Frankrijk gegaan. Maar ook achter de tekentafel bleef het maar woekeren in mijn kop. Dat was zo zwaar dat ik op een gegeven moment besloot: ik zet ze in het boek. Dan gaan ze nooit meer weg, dan gaan ze niet dood, dan zijn ze er gewoon. Ik tekende mijn moeder als een oudere dame in het ziekenhuis. Niet opvallend. Er staan meer mensen uit mijn omgeving in.”

„Nederland is water. Ik ken Nederlanders die gek worden zónder. Geef ze water en ze worden rustig. Zo apart. Als ik aan Nederland denk en dan niet aan klompen en tulpen, is water het eerste wat bij me opkomt. Anders dan in Frankrijk, waar ik tot mijn achttiende woonde, is het hier onderdeel van het dagelijks leven. Het gedoe ertegen, het gedoe ermee. De Afsluitdijk vond ik een mooi einde voor het boek. Ook omdat het echt iets van Nederlanders is: de boel inkaderen, afbakenen, zekeren. Ik ga nog regelmatig naar Frankrijk en je hoeft mij niet te vertellen waar de grens is. Je voelt direct die ongerepte ruimte. Iemand schreef in de krant over Nederland: het boek is wel erg vol. Hij heeft gelijk. Maar dit land ís vol. Neem de duinen. Je denkt: rust. Maar ik heb nog nooit meegemaakt dat ik niemand ben tegengekomen. Er zijn fietspaden, wandelpaden, ruiterpaden, uitkijkplekken, vuilnisbakken, trapjes, bewegwijzering. En zo is het eigenlijk overal hier.”

„Mensen bij wie ik me thuis kan voelen, bestaan wél. Dat was de eerste ontdekking op de Rietveld Academie. Mensen die iedereen zichzelf laten zijn. Ik heb daar bijvoorbeeld vijf jaar met dezelfde oude jas aan gelopen, die deed ik nooit uit. Het was een soort bescherming. Niemand die er iets van zei. En ik kon er doen wat ik wilde, klein tekenen, met een pennetje. In Frankrijk leefde ik in een hele andere wereld. Ik was eenzaam. Paul Biegel beschreef mijn schooltijd perfect in De tuinen van Dorr. ‘Ik moest schrijven, allemaal ff-en. Ik was bang van de ff-en. Ze moeten dik-dun, eerst hoog en dan heel diep naar beneden. En er was er één voorgedaan in je schrift. Door de grote mensen, Met een strakke lus en een harde rechte stok. Bang.’ Zo was mijn leven ook. Op het schoolplein waren drie stinkende openrioolwc’s en de bovenmeester sloeg. Keihard, in je gezicht, met een schop na.”

„In eenzaamheid ontwikkelt zich fantasie. Mijn schooltje stond in een minuscuul dorpje bij Evreux. Wij woonden erbuiten, aan een D-weg, zonder kinderen in de buurt dus mijn broer en ik moesten alles zelf verzinnen. Een kleuterschool was er niet. We groeiden geïsoleerd in het struikgewas op. Ik sprak toen ik naar school ging maar een paar woordjes Frans – niet veel anders dan het nu hier voor allochtone kinderen is. Doordat ik me er zo onveilig voelde, ontwikkelde ik als het ware een vermogen om me af te sluiten en mijn fantasie te gebruiken. Uit angst voor wat ze van me zouden denken, observeerde ik mensen bovendien altijd heel goed. Die dingen komen mij nu in mijn werk van pas. Ik weet niet of mijn jeugd er iets mee te maken heeft dat ik voor kinderen wil tekenen. Want die wens heb ik altijd gehad.”

„Kinderen hebben een speciaal soort pret en onbevangenheid. Volwassenen bouwen buffertjes, pareren. Een kind heeft geen dubbele gedachten. Zegt er een tegen mij dat hij een tekening niet zo mooi vindt, dan bedoelt hij ook dát. Hun manier van denken is zo leuk. Als ik tegen mijn oppaskinderen zei: ‘willen jullie achter op de brommer’, dan zeiden ze gewoon ‘ja’ en liepen achter me aan alsof we wegreden, niet ‘maar je hébt geen brommer’. Bij volwassenen hoef je daar natuurlijk niet mee aan te komen.”

„Ik heb iets wat niet veel mensen hebben. Ik verdien mijn geld met wat ik leuk vind en ik heb het geluk dat anderen ook nog leuk vinden wat ik maak. Tekenen is mijn leven en als ik het moeilijk heb, is het de manier om weer rust in mijn kop te krijgen.”

„Succes is als een dun richeltje. Daar sta je even op, dan ga je eraf en dat is niet erg want dan is er iemand anders aan de beurt. Dat zei mijn moeder toen ik haar vertelde dat ik voor Sinterklaas een Gouden Penseel had gekregen. Ik heb haar bij de uitreiking geciteerd. Toen ik jong was, vonden zij en mijn vader dat tekenen onzin. Dat zou nooit wat worden. Kunst is wat de gek ervoor geeft, daar kunnen wij niet op bouwen, zei mijn vader. Daarom ben ik als compromis naar de lerarenopleiding tekenen en textiel aan de VU gegaan. Ik heb me later stiekem aangemeld bij de Rietveld Academie. Mijn vader was heel pissig. Toen heb ik gezegd dat ik nooit meer thuis zou komen als hij me het zou verbieden. ‘Oh, nou ja’, zei hij, ‘Nou ja, dán...’ Hij had door dat ik het echt meende.”

„Ik had het nodig dat ik succes kreeg. Als klein kind al had ik het gevoel dat het beter was geweest als ik niet bestond. Wie ben je nou, wat kun je nou, wat heb je nou te melden? Ik heb altijd werk gehad, schoolboeken illustreren, omslagen maken, en lange tijd dacht ik alleen maar: wat áárdig dat mensen aan mij denken. Toen bij Lemniscaat het eerste boekje met mijn tekeningen uitkwam, zat ik onder het eczeem van de zenuwen. Ik had me helemaal niet gerealiseerd dat mensen daar hun mening over zouden geven. De kentering kwam toen ik Ga je mee had gemaakt, het eerste prentenboek wat helemaal van mij was. Het begin van het besef: nou, misschien zit er toch wat leuks in mijn kop. Ik kan nog steeds niet over mezelf zeggen dat ik goed ben. Ik denk alleen: dit is wat ik maak. En het Gouden Penseel was toch de erkenning door grote namen.”

Charlotte Dematons, Nederland. Lemniscaat, 56 blz., 24,50 euro