Stedelijke segregatie is gepland

Een meesterlijke studie biedt een terugblik op 7.000 jaar stedenbouw en muren die stadsdelen scheiden. Niets blijkt vanzelfsprekend of natuurlijk te zijn aan de sociaal-culturele fragmentatie van onze steden.

Het gegeven dat arme en rijke, witte en zwarte, allochtone en autochtone bewoners hun eigen zones hebben in een stad wordt tegenwoordig als vanzelfsprekend beschouwd. In deze tijden van postideologische politiek wordt het schiften van steden in zones voor bepaalde groeperingen aanvaard als een natuurlijk stedelijk gegeven. En zelfs als iets dat voordelen kan hebben, omdat het steden oplevert als diverse lappendekens van exotische chinatowns, levendige volkswijken en ontspannen suburbs.

Zelfs voor de zwarte scholen, het pijnlijkste symptoom van de demografische uitsplitsing in Nederland, zijn verdedigers te vinden. Het tegengaan van iedere vorm van segregatie in de stad wordt gezien als een hopeloos ouderwetse projectie van maakbaarheidsidealen op de stad die zich ontwikkelt volgens haar eigen onplanbare logica.

Als er één ding is dat het meesterlijke Segregation van de Amerikaanse historicus Carl Nightingale duidelijk maakt, is het wel dat er niets vanzelfsprekends, natuurlijks of ongepland is aan de sociaal-culturele fragmentatie van onze steden. Nightingale, eerder auteur van een boek over hoe zwarte Amerikaanse kinderen de American Dream beleven, graaft diep. Vanaf het Mesopotamische Eridu van 5.000 jaar voor Christus voert hij ons mee op een duizelingwekkende tocht door de geschiedenis langs Uruk, via Rome, de steden van het oude rijk Zimbabwe, de verboden steden in het middeleeuwse China, de Arabische metropolen Bagdad, Caïro en Córdoba: overal werden niet alleen muren gebouwd om de steden heen, maar vooral ook muren dwars door de steden.

Het getto van Venetië is het oervoorbeeld van het opsluiten van ‘vreemdelingen’ in een deel van de stad dat men makkelijk kan afsluiten. De Venetiaanse Joden mochten zich alleen met speciale kleren door de rest van de stad bewegen en moesten zich aan een avondklok houden. Tegelijkertijd waren ze als geldleners onmisbaar voor de vele veroveringsoorlogen van het middeleeuwse Venetië.

Het boek begint echt interessant te worden als Nightingale zijn ‘sleuteldocument’ te voorschijn haalt: een kaart gemaakt in 1711 van de nieuwe Indiase stad Madras. Hierop is de stad ingedeeld in een ruim opgezette en van een fort voorziene White Town en de grotere maar dichter bebouwde Black Town, van elkaar gescheiden door een stevige muur.

Het voorbeeld van Madras laat zien dat de handelsposten van het Europese kolonialisme zo groot werden en zo ver weg kwamen te liggen van Europa, dat zij als echte, autonoom functionerende steden gepland moesten worden. Het bouwen van geheel nieuwe steden op vreemde bodem, te midden van exotische volkeren, maakte een nieuw plannings- en bestuurssysteem noodzakelijk, gericht op het op precieze wijze scheiden van de kolonisatoren en de gekolonialiseerden.

De eerste generatie van deze op ‘rassenscheiding’ gebaseerde steden waren afhankelijk van het ontstaan van het begrip ‘zwart’ en het idee van ras, dat pas opkwam aan het einde van de 17de eeuw. Het denken over blanke en zwarte rassen in taxonomische, hiërarchische termen vormde een ‘wetenschappelijke’ basis voor een complex beleid van scheiding. Hierbij werden aan ieder ras specifieke kwaliteiten en zwaktes toegeschreven, waaraan specifieke posities in een stad werden gekoppeld.

Later zouden daar theorieën bij komen van het ‘miasma’, de kwalijke dampen die uit de grond van de tropische koloniën oprijzen, waar de inheemsen tegen kunnen, maar die de blanken zowel fysiek als moreel verzwakken en aan hun ondergang bijdragen. Dit betekende dat voor de blanken goed gerioleerde, ruim en groen opgezette woonwijken moesten worden gebouwd en dat de sloppenwijken die te dichtbij lagen opgeruimd moesten worden en hun inwoners naar de randen verplaatst.

De 19de eeuw verstevigde de wetenschappelijke basis voor stedensplitsing. De onderzoeken naar de bronnen van cholera en de pest, gaven aanleiding voor de isolatie en afbraak van de chinatowns in steden als Singapore en San Francisco. En de op darwinistische leest geschoeide rassenleer bepaalde op steeds preciezere wijze de plaats op de evolutionaire ladder van de verschillende rassen van zwart Afrikaans, via Aziatisch tot en met blank. Tegelijkertijd ontstond er een steeds rijker gevuld arsenaal van wettelijke bepalingen, regelgeving en juridische precedenten, om mensen andere plekken en andere rechten te geven.

Ook de razendsnelle ontwikkeling van de stedenbouw als een technische en wetenschappelijke discipline vanaf de 19de eeuw heeft de segregatie in steden bevorderd. Het waren vooral de nieuwe koloniale hoofdsteden waar de nieuwste inzichten op het gebed van stadsplanning werden gekoppeld aan een steeds neurotischere behoefte om mensen op hun plek te zetten.

Het beste voorbeeld is het plan van de Engelse architect Edwin Lutyens voor New Delhi, de immense en ruim opgezette stad, pal naast het extreem dichte en labyrintische Old Delhi van de Mogols. Deze nog steeds schitterende stad werd georganiseerd langs een hiërarchische lijn, gespannen tussen de grote Moskee van Old Delhi en het paleis van de onderkoning in New Delhi. Hoe dichter bij het paleis, hoe machtiger, rijker en blanker, hoe dichter bij de moskee, hoe donkerder, islamitischer en armer de bewoners. Een van de gevolgen van dit was dat de vele arme Indiase bedienden die nodig waren voor het gezinsleven van een hoge ambtenaar, op kilometers afstand van hun woningen moesten werken.

En dan is er uiteraard het voorbeeld van het naoorlogse Zuid-Afrika. Dit is zo fascinerend omdat hier de verzorgingsstaat werd gecombineerd met een extreme vorm van segregatie. Sociale woningbouw, openbaar onderwijs, publieke gezondheidszorg gaven aan de Zuid-Afrikaanse regering juist de mogelijkheid om meer dan ooit tevoren de ‘color lines’ door de hele maatschappij te trekken. Net als in Nederland, Zweden of het naoorlogse Engeland haalde de staat alles uit de kast om de maatschappij te hervormen, alleen hier was niet de sociaal-democratie de gewenste uitkomst, maar de Apartheidsstaat.

Toch vormt niet het Zuid-Afrika van de apartheid, het koloniale India of nazi-Duitsland de meest verontrustende episode van dit boek, maar het Chicago van de jaren twintig en dertig. Vanaf de afschaffing van de slavernij en de massale trek van zwarten naar de industriesteden in het noorden werd Chicago een laboratorium voor een geavanceerde vorm van rassenscheiding.

De wet, met name in de progressievere noordelijke steden, maakte de nadrukkelijke scheiding van zwarten en blanken in aparte zones onmogelijk. Maar toch ontstond in de rechtszalen, de vergaderkamers van advocatenkantoren en op de tekentafels van architecten en stedenbouwkundigen een vorm van ‘gecamoufleerde’ rassenscheiding die van een grote invloed zou zijn.

Samen met het maken van bestemmingsplannen creëerde het ontwerp van de Amerikaanse landschapsarchitect Frederick Law Olmsted Sr. voor de suburb Riverside bij Chicago de basis voor een segregatie door woningtype en huisprijs, die onuitroeibaar zou blijken. Zwarten in een woonwijk deden de huizenprijzen dalen, en integratie werd dus een rem op stedelijke ontwikkeling, zo was de theorie.

Vervolgens boden de steeds preciezere bestemmingsplannen de mogelijkheid om met woningtypes, woningdichtheid, aanwezigheid van openbaar vervoer en voorzieningen wijken de facto alleen geschikt te maken voor de blanken die wél toegang hadden tot hypotheken, en ongeschikt voor de zwarten die op allerlei andere manieren de toegang tot de woningmarkt werd ontzegd. Het begrip ‘blank’ laat staan ‘zwart’ hoefde niet opgenomen te worden in de bepalingen om Chicago in te delen in een White Town en een Black Town.

Na de biologische en culturele rationalisering van segregatie werd deze nu in economische termen beschreven, en afgedwongen met financiële, ruimtelijke en architectonische middelen. De suburbanisering bracht ook de aanleg van grote snelwegsystemen met zich mee. Hiervoor moesten in de inner city delen van de arme wijken worden gesloopt en de dikwijls zwarte bevolking worden geherhuisvest.

Zo werd in Chicago de basis gelegd voor de wijze waarop Amerikaanse steden zich in de 20ste eeuw zouden ontwikkelen. Maar ook de Europese steden zouden zich vanaf de jaren zeventig suburbaan ontwikkelen volgens de logica van een op leefstijlen, huizenprijzen en woningtypes gebaseerde planologie. En ook hier zien we het – geplande – effect van steden die uiteen vallen in etnische zones.

Meer dan de ‘wetenschap’ van ras of hygiëne, kan de financiële dynamiek van de huizenmarkt worden gepresenteerd als een waardenvrije, natuurlijke logica, die zonder aanzien des persoons leidt tot de wereld waarin wij leven. Het is daarom dat ook wij tamelijk machteloos en zelfs kritiekloos staan tegenover de mechanismen die maken dat ook in steden, blank en zwart, rijk en arm, autochtoon en allochtoon in andere wijken wonen en relatief weinig met elkaar te maken hebben. Toch weten we ook hoe makelaars en verzekeraars, planners en politici door een heel stelsel van wetten en beleid deze constructie – want dat is het volgens de analyse van Nightingale – in stand houden.

Interessant is de rol van de stedenbouw, die vanaf de stadsmuren van de Franse vestingbouwer Vauban in de 17de eeuw, via de vroeg 20ste-eeuwse plannen van Lutyens voor Delhi en die van Robert Moses van na WO II voor New York, steeds weer de instrumenten verschafte voor het splijten van steden langs etnische lijnen. Ronduit schokkend is het feit dat de succesrijkste instrumenten om de gemeenschappen van stedelingen uit elkaar te trekken, nog steeds en wellicht sterker dan ooit tevoren, werkzaam zijn: de snoeiharde logica van huizenprijzen en hypotheekverstrekking.

Met de moed der wanhoop kunnen we toch iets positiefs uit Nightingales boek halen. Het toont aan dat wat wij als een natuurlijk fenomeen zien een met veel vernuft in elkaar gezet mechanisme is, dat dus ook ontmanteld moet kunnen worden. We zouden ons kunnen voorstellen dat steden, met hetzelfde vernuft en geduld, gereconstrueerd kunnen worden als plekken waar mensen mét en door elkaar leven, ongeacht ras, afkomst, klasse of religie.