Sleazy? Fuck, snel resetten

Henk Rijks

In de jaren zestig kon een schrijver zich van zijn vrijgevochten kant laten zien door het gebruik van woorden als kut en lul. Als schrijvers nu een visitekaartje willen afgeven, zoeken ze het in Engelse straattaal. Dan schrijven ze fuck en shit om hun lezers te laten zien dat zij weet hebben van het echte leven.

Bij Incognito, de tweede roman van Henk Rijks, is het gebruik van Engelse woorden ook wel passend. Zijn hoofdpersoon, de 34-jarige Jimmy, woont in Hollywood en verdient de kost als ‘entertainer slash zanger slash filmster’. Bij Tokyo Ohayo!, de eerste roman van Charlotte van Zanten, verwijzen de vele fucks en shits naar de morsige levensomstandigheden van haar jonge heldin. Zij verdient haar brood als hostess in een club in Roppongi, een van de ruigere uitgaanscentra van Tokio.

In beide romans wordt heel wat gerookt, gesnoven en gedronken in een kennelijke behoefte om aan de sleur van alledag te ontkomen. Zowel bij Rijks als bij Van Zanten wordt ook gezocht naar een hogere levensvervulling, naar iets dat zich verheft boven de gebruikelijke shit. In beide gevallen lonkt een ver land.

De Amerikaanse Jimmy, op zijn 34ste al wereldberoemd, ontkomt tijdelijk aan de vele ‘paps’ (paparazzo’s) en opdringerige fans door onder een schuilnaam, ‘incognito’, een maandlang bij restaurant Wagamama in Amsterdam te gaan werken, als een doodgewone, vrije burger. De Amsterdamse Charlotte is de middelmatige grachtengordelsfeer juist beu en zoekt haar heil, onder de schuilnaam Laura, in het verre Tokio. Daar belandt ze al snel in een nieuwe sleur, met nieuwe middelmatige mensen.

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Incognito en Tokyo Ohayo! De vlucht naar het buitenland. De morsige gang van zaken. De voze muziekwereld. Het geslemp. De dubbellevens. Het verlangen naar echte liefde. En, niet te vergeten, de eindredactionele missers. Bij Rijks kloppen de jaartallen niet helemaal. Op grond van het geboortejaar van de hoofdpersoon zou de geschiedenis zich in 2007 moeten afspelen, maar in werkelijkheid zitten we in 2009 of 2010. Een beetje jammer is ook dat we in de allerlaatste zin van het boek nog een spelfout aantreffen: ‘you luggage’, in plaats van ‘your luggage’. Bij Van Zanten is er sprake van een vrouw genaamd Grace, ‘wiens gezicht’ iets uitdrukt. Iemand vraagt een man ‘de kleren van zijn lijf’. En van een andere man wordt gezegd dat hij zijn kop in het zand ‘stook’.

Meisjesachtiger

Er zijn natuurlijk ook verschillen tussen de twee boeken. Incognito is, met zijn heldere intrige en spannende verwikkelingen, een avontuurlijk jongensboek à la De Alibicentrale (1990) van S. Montag. Tokyo Ohayo! zit veel minder strak in elkaar en doet met zijn praterige karakter meisjesachtiger aan. Het is helemaal gewijd aan de vele ontmoetingen die de heldin in Tokio heeft met vrienden en vriendinnen, collega’s, klanten, geliefde en toevallige passanten. Van het ‘sleazy’ gevoel voor humor dat ze naar eigen zeggen zou hebben, blijkt hier weinig.

De houterige en nogal langdradige gesprekken met Yoshi, Tanabe-san, Thomas, Jun, Kitasato-sensei, Mama-san, Chess, Kenji, Nobu en vele anderen zijn niet echt geestig. Van Zanten praat ons bij over de praktijk van de ‘cashback’ (de gastvrouw krijgt een percentage van de flessen champagne die ze haar klanten aanpraat), van de gang van zaken in een club (vleierige conversatie met oudere heren zonder seks) en van het gebruik van de karaokeset (de gastvrouw klapt altijd enthousiast als een klant heeft gezongen, hoe vals ook).

Over het dagelijks leven in Tokio worden we jammer genoeg niet veel wijzer. Wel schemert er hier en daar iets door van de filosofische pretenties van onze reizigster. Zij hoopt in Tokio, ‘dat fucking Limbo’, waar alle mensen bij de dag zouden leven, in het reine te komen met de dood. Haar leven kan er wel ‘picture perfect’ uitzien voor de buitenstaander, maar zij moet zelf zien af te rekenen met ‘de duisternis’ in haar binnenste en met ‘de vernielingswereld’ in het algemeen. Dit meisje heeft het, kortom, nogal zwaar. Zij voelt zich ‘tachtig procent van de dag doodongelukkig.’ Als ze in een slecht bevoorrade winkel rondloopt, voelt ze zich triest ‘en net zo leeg als de schappen.’ En dan moet ze ook maar steeds wachten op een levensteken van haar Japanse vriend, een popster die zijn zesde album aan het promoten is, en die bovendien aan de drank is, net als zijn vader.

‘Albert Hell’

De observaties die Rijks zijn popmuzikant laat doen over Nederlandse toestanden zijn iets geestiger. Hij stelt vast dat hij niet erg klantvriendelijk bejegend wordt bij ‘Albert Hell’, waar kassa’s abrupt gesloten worden, de boodschappenmandjes meestal stuk zijn en medewerkers alleen zuchtend assistentie verlenen bij het zoeken naar onlogisch geplaatste artikelen. Hij verbaast zich over politieagenten die schouderophalend reageren op fietsendiefstal. En over treinreizigers die medepassagiers omver lopen in hun verbeten jacht op een zitplaats.

Mijn voorkeur gaat dus uit naar de lichtvoetige feelgoodroman van Rijks waarin een overspannen zanger een maandlang vakantie krijgt van zichzelf en zijn roem. Daardoor wordt hij niet alleen een beter mens, maar ook, door wat hij een ‘harde reset’ noemt, een betere artiest, die een vlammend concert geeft in Paradiso. Eind goed al goed dus, temeer omdat hij tijdens zijn vakantiemaand de liefde van zijn leven tegen het lijf loopt – in de Albert Hell nog wel.