Mannenmoppen en stoere verhalen in testosterontaal

Özcan Akyol: Eus. Prometheus, 271 blz. € 15,**-

De ogen van Matthijs van Nieuwkerk glinsterden bij de bravoure van Özcan Akyol. De debuterende schrijver veegde vorige week bij De Wereld Draait Door de vloer aan met literair Nederland en in het bijzonder met het werk van Kader Abdolah: „Een berg, een pratend schaap en een vijgenboom.” Best geestig, inderdaad. „Je moet het maar durven!” glunderde Van Nieuwkerk. Akyol had er „schijt aan”. Helemaal in character met Eus, hoofdpersoon uit de ‘semiautobiografische’ roman die binnen een week een bestseller werd.

Eus is het chronologische, ongepolijste relaas van zijn leven als Turk tegen wil en dank. Het is een ‘schelmenroman’ in de simpelste betekenis van het woord: het leest als een aaneenrijging van stoere verhalen en mannenmoppen. Het leven zit namelijk niet mee en dat beschrijft hij met galgenhumor: ‘Mijn vader was definitief afgekeurd door de arbo-arts en vierde dat de vorige avond sjikker en in zijn blote kont op straat.’

Eus’ vader is een vrek die zijn kinderen krantenwijken laat lopen om zijn flessen vieux te bekostigen. Een opleiding zit er voor Eus ook al niet in: op het vwo zou hij het ‘als Turk’ maar zwaar krijgen, meent zijn basisschooljuf. Dus gaat het verhaal verder met scènes uit een spoelkeuken en met kleine criminaliteit die steeds groter wordt. Ondertussen wisselt hij het ene meisje af met het andere. Een meisje heet trouwens steevast een ‘wijf’, in Akyols testosterontaal. Eus is een proleet die op alles scheldt en kankert, en dat zullen we weten.

Dat Turkse Nederlanders dun gezaaid zijn in romans, betekent helaas niet dat Eus meteen een waardevolle toevoeging is aan de literatuur. Akyol zei in DWDD dat hij met zijn roman wilde laten zien hoe opgroeien in een slecht milieu een levenslange beperking kan zijn, maar van die diepgang is in het boek weinig te merken. Eus had een bittere, zelfkritische zedenschets kunnen zijn, maar blijft hangen in schelmenstreken en kroegpraat zonder climaxen.

Dat Akyol, die naar eigen zeggen in de gevangenis kennismaakte met literatuur, geïnspireerd is door Baantjer én Céline, zie je af aan zijn barse idioom: een eigenaardige cocktail van spierballen- en straattaal (sjikker = dronken), archaïsche boekentaal en cliché-uitdrukkingen: ‘Na het positief verlopen diner bij haar ouders zag ze blijkbaar helemaal geen beren meer op de weg, nu konden we lekker van bil gaan.’

Verhaal noch stijl nodigen uit er iets bij te voelen of een nieuw inzicht op te doen. Özcan Akyol past vooral in het straatje van Jan Cremer en Maria Mosterd: schrijvers die het meer van hun charisma en sexy onderwerp moeten hebben dan van literaire kwaliteit. Om met DWDD-sidekick Jan Mulder te spreken: „We hebben er een goede talkshowgast bij.”