Gedenk de Grote Oorlog: maak de verhalen kleiner

In een vernieuwd museum over de Eerste Wereldoorlog staan individuele verhalen centraal, en niet de conclusies van historici. Het moet de Grote Oorlog aangrijpend houden.

Beelden uit het vernieuwde In Flanders Fields Museum in Westhoek Foto’s IFFM

Zondag 11 november wordt het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. Maar hoe houd je de herinnering aan de Grote Oorlog levend nu de laatste veteraan is overleden en jongeren oorlog vooral kennen uit videogames? In het gerenoveerde In Flanders Fields Museum (IFFM) in de Vlaamse Westhoek laat men ’14-’18 herleven via kleine verhalen.

„Na enige tijd klaarde de lucht op. Wat we zagen was dood. (...) Zelfs het ongedierte was uit zijn holen gekropen om te sterven. De Franse loopgraven waren leeg. Maar honderd meter verder lagen gestikte Fransen.” Tegen een zwarte achtergrond speelt een acteur Willi Siebert. Deze Duitse soldaat noteerde voor zijn zoon hoe hij na een mosterdgasaanval de loopgraven van de vijand verkende.

Vier jaar lang bestookten Duitsers, Belgen, Britten en Fransen elkaar op gruwelijke wijze met onder meer mosterdgas, het brandende gas dat ook Yperite wordt genoemd, naar het stadje Ieper waar het voor het eerst werd gebruikt en het IFFM zich nu bevindt.

De beelden van Siebert, die haast kokhalzend de verminkte gezichten van tegenstanders beschrijft, worden afgewisseld met een monoloog van scheikundeprofessor Fritz Haber. Droog somt deze de argumenten op waarmee hij zijn legerleiding overtuigde zijn uitvinding mosterdgas in te zetten.

Piet Chielens, coördinator van het IFFM, vertelt hoe ‘icoonfiguren’ als Siebert en Haber tijdens studie van bronnenmateriaal kwamen bovendrijven. „Het museum is chronologisch opgebouwd. Wanneer we het beschikbare materiaal bekeken om een fase te illustreren, merkten we dat een enkele getuigenis soms meer zegt dan talrijke foto’s en objecten.”

Chielens ontwikkelde met Tijdsbeeld & Pièce Montée, een ontwerpbureau waar designers en historici samenwerken, manieren om ook minder bekende oorlogsverhalen tot leven te wekken. Zoals het polsbandje waarop je je geslacht, leeftijd en geboorteplaats registreert. Het activeert kijkdozen waarin korte levensverhalen worden geprojecteerd die aan de hand van jouw gegevens zijn geselecteerd uit een database met meer dan 480 oorlogsgetuigenissen. Nederlanders bezoekers lezen bijvoorbeeld de geschiedenis van een Gelderse verpleegster die zich uit liefdesverdriet had aangemeld bij het Belgische leger.

Chielens noemt kleine verhalen een noodzakelijk onderdeel van de geschiedenismusea van de toekomst. „Met individuele verhalen toon je de complexiteit van geschiedenis, in plaats van enkel de conclusies die historici eruit hebben getrokken. Het publiek kan zelf meedenken.”

Verbanden leggen tussen het leven van bezoekers en oorlogsslachtoffers maakt het getoonde minder abstract. Uit zijn ervaring in het ‘oude’ IFFM weet Chielens dat „mensen proberen hun eigen leven te verankeren binnen de ‘grote geschiedenis’”. Vroeger kwamen bezoekers met verhalen over familieleden in het achterhoofd. 45 procent van het huidige museumpubliek is echter jonger dan 18 – voor Britten en Belgen en ook een groeiend aantal jonge Nederlanders is Ieper een schooluitstapje. Contact met veteranen hebben zij nooit gehad. Voor hen moet de afstand tussen heden en verleden op andere manieren worden verkleind, zoals door kijkdozen of de zoekmachine die toont hoeveel mensen met jouw achternaam sneuvelden.

Een andere poging om de oorlog tastbaar te maken is nadrukkelijke aandacht voor het landschap rondom het museum. Naast de uniformen en granaten wordt ook de Westhoek zelf gepresenteerd als oorlogsrelict. „Nog dagelijks stoten boeren hier op bomresten bij het ploegen”, vertelt Chielens. Zo is er de multimedia-applicatie waarop je oude (lucht)foto’s over het hedendaagse landschap schuift. Je ziet hoe dorpen werden gereduceerd tot puinhopen, hoe langs beide kanten van de frontlijn militaire kerkhoven opdoken. De applicatie werd In Flanders Earth gedoopt, een woordspeling op Google Earth en het beroemde gedicht In Flanders Fields van Canadees John McCrae waar ook het museum zelf naar vernoemd is. Na je museumbezoek kun je een beschrijving uitprinten om op oorlogskerkhoven in de regio figuren te zoeken die je eerder hebt ‘leren kennen’.

De meest confronterende ruimtes van het IFFM bevatten echter geen multimedia. De gruwelijkste oorlogsbeelden worden in vier aparte ‘kokers’ getoond, verspreid over het parcours: kiekjes die soldaten namen van vermoorde tegenstanders of gueules cassées, portretten van mannen die naar huis keerden zonder neus of mond. In de nauwe kokers sta je alleen tegenover de aan stukken gereten jonge twintigers. Chielens: „Mensen zeggen dat jongeren door beelden op televisie en internet afgestompt zijn. Dat oorlog voor hen enkel iets is uit videogames waarin je zoveel mogelijk tegenstanders moet neerleggen.” De Belg gelooft echter dat deze beelden nog een impact kunnen hebben en moeten worden getoond, zij het op een manier die alle sensatiezucht wegneemt.

Onderzoek naar de reacties van jongeren heeft het IFFM zes maanden na de heropening nog niet, maar de geluiden van scholen zijn positief. De bezoekersaantallen zijn met 50 procent gestegen en met de eeuwherdenking van de oorlog voor de deur, is aandacht ook de komende jaren verzekerd.

Inl: inflandersfields.be