Een mecenas die kunst ziet als rechtse hobby

Theatermagnaat Joop van den Ende ontwikkelde zich van gedreven dilettant tot bewonderd zakenman en mecenas. Onthult zijn biografie wat er schuilgaat achter Van den Endes enorme werklust?

In mei 2011 krijgt Joop van den Ende een eredoctoraat van de Erasmus Universiteit. Het is de tijd van protest tegen de ‘culturele kaalslag’ van het eerste kabinet Rutte. Miljardair Van den Ende heeft zich geschaard in het kamp van de linkse oppositie. In zijn academische rede fulmineert hij tegen het kabinet dat ‘met een gigantische hakbijl’ de kunsten attaqueert.

Het contrast lijkt groot: de man die ooit door de elite werd verguisd vanwege de platte rommel die hij op de buis bracht, de man achter Call TV en Joep Meloen, strijdt nu zij aan zij met de kunstenaars. Is Van den Ende een late bekeerling? Of ziet Nederland eindelijk wat Van den Ende eigenlijk altijd al deed?

Dat laatste beeld rijst op uit Joop van den Ende. De biografie van Henk van Gelder, onder meer theaterrecensent van deze krant. Hij schetst een beeld van een man die niet vies is van geld, maar ook verliefd kon zijn op een theaterstuk. Een ondernemer voor wie er geen absolute tegenstelling bestaat tussen kunst en commercie. Die kunst ziet als een rechtse hobby.

Van den Ende, geboren in 1942 in de Indische buurt in Amsterdam, groeit op in de ‘nette armoe’ van een katholiek arbeidersgezin. Zijn vader werkt in de wegenbouw (en om rond te komen verkoopt hij zelf gezaagde aanmaakhoutjes). Op zijn negende geeft Joop poppenkastvoorstellingen in de buurt, toegangsprijs één cent. Na de basisschool gaat hij bijna vanzelfsprekend naar de ambachtsschool. Er ligt een toekomst in het verschiet als timmerman.

Dat in zo’n milieu toch theaterlicht sijpelt is een klein wonder. Joop is een jaar of dertien als hij in aanraking komt met het Amsterdams Jongeren Toneel. Daar werkt de artistieke jeugdleidster Miek Stranger. Ze laat de arbeiderszoon kennismaken met Shakespeare en Molière en spoort hem aan om de Gysbreght in de Stadsschouwburg te bezoeken. Joop raakt er betoverd door het toneellicht, vertelt hij. ‘Ik zat ademloos te kijken naar wat er allemaal gebeurde, en ik wist: dit is mijn leven.’

Bij het amateurtoneel zag hij voor het eerst Cyrano de Bergerac van Edmond Rostand. Aan dat stuk zou hij zijn leven lang verknocht blijven. Het was geen toeval dat hij later als musicalproducent juist de Cyrano naar Broadway bracht. Maar de weg naar New York was nog lang. Op zijn zeventiende start Van den Ende zijn eigen cabaretgezelschapje de Pijpers, waarmee hij schnabbelt in het roomse circuit. Hij verhuurt zichzelf als clown, als conferencier, als Batman. Hij begint een theaterbureau – en beseft gaandeweg dat daar zijn forte ligt.

Biograaf Van Gelder behandelt minutieus de stappen die Van den Ende zet op weg naar zijn imperium. Hoe hij met charme en bluf gevestigde acteurs, zoals Mary Dresselhuys, weet te strikken. Hoe hij landelijk doorbreekt met de voorheen anonieme komiek André van Duin. Hoe hij vanaf zijn dertigste de televisiewereld verovert. En dat zijn ouders veel te vroeg overlijden om iets van dat succes te zien.

In deze wereld is Van den Ende een dilettant, die het moet hebben van zijn drive. Zijn talen spreekt hij aanvankelijk nauwelijks. Als hij eens met Mary Dresselhuys een voorstelling in Parijs bezoekt, fluistert de actrice hem na elke scène een korte vertaling in. Ook van bedrijfskunde heeft hij eerst geen kaas gegeten. Op een dag is hij tot tranen toe teleurgesteld als hij de jaarcijfers van Joop van den Ende Producties onder ogen krijgt: hij leest de cijfers verkeerd en ziet niet dat er een positief bedrijfsresultaat is. Van den Ende is impulsief en emotioneel. Hij kan in een wegrestaurant opeens begeesterd raken door het idee om circusdirecteur te worden – en voert dat idee vervolgens ook uit.

Met dit soort treffende anekdotes is de biografie rijkelijk gevuld. Het levert een boek op dat geen seconde verveelt. Maar tegelijk verlang je door die overvloed naar iets meer sturing van de biograaf. Vaak moet de lezer zelf aan de hand van de voorvallen en details het beeld destilleren van de man die schuilgaat achter tomeloze werkdrift.

Van den Ende nam zelf het initiatief tot deze biografie, maar zijn biograaf kreeg de vrije hand. Van Gelder spaart zijn onderwerp niet; hij laat zowel adepten als critici aan het woord. Zo’n adept is bijvoorbeeld Willem Nijholt, die onder Van den Ende in Miss Saigon speelde. In een brief aan Hella Haasse is hij vol lof over de wijze waarop hij in de watten wordt gelegd. ‘Ik kan niet anders zeggen dan dat ik door Joop ontdekt heb wat ik waard was en hoe ik tekortgedaan ben door andere producenten.’ Anderen kunnen niet omgaan met de perfectionistische bemoeizucht van de producent. ‘Ik voelde me verkracht door die boomlange idioot, die megalomane proleet,’ zegt acteur Theo Nijland bijvoorbeeld.

Maar de grondtoon van de biografie is bewondering voor een pionier die bergen verzet ondanks de stroperigheid of naijver van omroepen of overheid. Een autodidact, die thuis niet eens geleerd had met mes en vork te eten, maar uiteindelijk Nederland een beetje opvoedt. Bijvoorbeeld met de musical: dat genre mocht hier geen naam hebben, tot Van den Ende zich erop stort, in 1988. Vijf jaar later opent hij het Circustheater in Scheveningen met The Phantom of the Opera. Dat wordt een megasucces: de Phantom draait drie jaar lang tot uiteindelijk liefst 12 procent van de Nederlandse bevolking de show heeft gezien.

Maar niet alles verandert in goud. Soms blundert Van den Ende. Berucht is de flop met TV10 in 1989. Dat moet het eerste Nederlandse commerciële televisiestation worden. Het drieste project wordt groots aangekondigd, maar de gok pakt verkeerd uit als het CDA de plannen dwarsboomt. Joop van den Ende Producties gaat bijna tenonder.

Steeds echter ruikt de ondernemer nieuwe kansen. Als eerste in Europa komt hij met een dagelijkse soap, Goede Tijden, Slechte Tijden. Ondanks bijtende kritieken trekt de serie al snel anderhalf miljoen kijkers. En dan wil ook de publieke omroep wel zo’n kijkcijfermagneet. Dat wordt Onderweg naar morgen. (Saillant detail: de EO betaalde in het geheim mee aan die serie, vertelt Van den Ende aan zijn biograaf.)

Later, na de fusie tot Endemol, komen ook de internationale tv-successen, zoals Big Brother. Maar Van den Ende zelf raakt vervreemd van het medium tv. Het is ook rond die tijd, in 1999, dat hij een burn-out krijgt. Hij heeft een torenhoge bloeddruk en last van depressies, vertelt hij. ‘Als ik het woord televisie alleen maar hoorde, moest ik braken.’

Het moet een opluchting voor hem zijn als Endemol in 2000 wordt verkocht aan het Spaanse Telefónica. Dat levert hem niet alleen 1,4 miljard euro op, maar ook de vrijheid om zich zonder de last van aandeelhouders te richten op wat hem echt begeestert.

Zo ontstaat de Van den Ende zoals we die nu kennen: de vaderlijke figuur, de alom gerespecteerd zakenman, de weldoener die met zijn Foundation miljoenen privégeld pompt in de hoge cultuur en die Amsterdam het DeLaMar Theater gaf. Een mecenas in de herfst van zijn carrière.

Deze biografie biedt vooral een overzicht van Van den Endes enorme dadendrang. De drijfveren daarachter komen veel minder aan bod. Wat waren zijn angsten? Wat dreef hem voort? En waarom, bijvoorbeeld, stak hij zoveel geld in de talkshow van Ischa Meijer op RTL5? Was dat echt omdat hij graag zo’n grachtengordelheld in zijn stal had?

Zulke materie stipt Van Gelder wel aan, maar hij lijkt wars van al te veel gepsychologiseer, van conclusies trekken. Hij blijft als biograaf in de coulissen, notulerend. Dat valt te prijzen, maar soms wens je dat hij dieper had gewroet in de ziel van de man die het collectieve geheugen van dit land zo veranderd heeft.

Even krijgen we zo’n glimp als Van den Ende vertelt over zijn gesprekken met psychoanalyticus M.G. Leopold, ten tijde van zijn burn-out. De man was als de vader die hij nooit had gehad. Met hem kon hij praten over zijn komaf, de angst om terug te vallen, om door de mand te vallen; over zijn te vroeg overleden ouders en over het gebrek aan waardering van de buitenwereld. Dat soort introspectie – daar zou je nog veel meer van willen lezen.