Dwars door schaamte en gêne heen

In haar nieuwe boek reconstrueert Kristien Hemmerechts leven en sterven van haar buurmeisje van weleer. Ze ontrafelt alles en spaart niemand, ook zichzelf niet.

Kronkelpaden van het geheugen is een van de beste boeken en zonder meer het eerlijkste werk uit het oeuvre van Kristien Hemmerechts. Het behandelt niet zozeer de werking van het geheugen, maar is een aangrijpende verkenningstocht door de duistere steegjes waar ons geweten, onze schuldgevoelens en schaamte schuilen.

Begin dit jaar publiceerde Hemmerechts de roman Haar bloed waarvoor ze een maand stage had gelopen op de afdeling hematologie in het VU Medisch Centrum in Amsterdam. Dat leverde een bloedeloze roman op over een fictieve leukemiepatiënte, haar familie en vrienden. Nu pas begrijp ik waarom Haar bloed mislukte. Terwijl Hemmerechts in de zomer van 2010 in het VU-ziekenhuis bivakkeerde, was zij met haar gedachten in Antwerpen waar haar veertig jaar oude voormalige buurmeisje Mischa Peeters, moeder van twee jonge kinderen, lag te sterven aan leukemie.

In Kronkelpaden van het geheugen reconstrueert Hemmerechts leven en sterven van Mischa op basis van haar herinneringen en van intieme documenten (dagboeken, e-mails, brieven). Ze voerde gesprekken met Mischa’s ouders, zusjes, haar weduwnaar en hartsvriendinnen. Een hard, maar ontroerend verslag waar niemand brandschoon uit naar voren komt, ook Mischa niet. De enige die zichzelf van iedere ‘schuld’ aan Mischa’s lot vrijpleit, is Hemmerechts zelf. Dat lijkt een zwakte van dit boek, maar vormt tegelijk de essentie ervan.

In Taal zonder mij, het monument dat Hemmerechts oprichtte voor haar in 1997 overleden echtgenoot, de dichter Herman de Coninck, vertoonde ze ook al de neiging om zichzelf vrij te pleiten door steeds te herhalen dat ze haar ongezond levende man toestemming had gegeven om te sterven. Het impliciete verwijt dat ze Mischa’s ouders en artsen maakt, is dat zij haar die toestemming onthielden. Ze bleven de uitbehandelde patiënte beloven dat er kans op genezing was. Toen ze na een lijdensweg van vijftien maanden uitgemergeld, incontinent en dement op 1 november 2010 haar laatste adem uitblies, had niemand met haar over haar naderende dood gesproken.

Net als in Taal zonder mij herleest Hemmerechts in Kronkelpaden van het geheugen de gedichten van De Coninck en vooral het gedicht dat hij schreef over de dood van zijn eerste vrouw An, aan wie hij op zijn beurt ‘toestemming’ had gegeven om te sterven: ‘ik denk: sluit nu maar/ je ogen, kom, ik zal je helpen’

Lijdensweg

Het knappe aan Kronkelpaden van het geheugen is dat het op een weinig nadrukkelijke manier ook over Hemmerechts eigen lijdensweg gaat, de dood van haar twee zoontjes die maar een paar maanden hebben geleefd, het plotselinge overlijden van haar tweede echtgenoot Herman de Coninck aan een hartinfarct en de voortdurende angst dat ze weer getroffen zal worden. Dat Mischa’s verhaal ook over Hemmerechts ‘eigen’ doden gaat is onvermijdelijk. De vader van Mischa, Theo Peeters, was een oude vriend van haar man. Hemmerechts leerde hem en zijn gezin kennen toen ze bij De Coninck introk in het Antwerpse Berchem. Ze gingen vaak bij hun buren eten. Een ideaal gezin, waar iedereen alles voor elkaar over had, maar dat toch ook scheurtjes vertoonde.

Bij de reconstructie van Mischa’s leven analyseert Hemmerechts als een ideale biograaf zowel haar eigen geheugen als dat van haar informanten, om tot de ontdekking te komen dat iedereen aan de hand van geconstrueerde, selectieve herinneringen een identiteit creëert. Zo ontrafelt ze niet alleen hoe Mischa gevormd en misschien ook wel misvormd werd door jeugdervaringen, ze onderzoekt ook wat bepalend is geweest voor haar eigen zelfbeeld.

Bijzonder aangrijpend zijn de passages over het voor buitenstaanders waarschijnlijk ideale gezin waar Hemmerechts zelf uit voortkwam. Wel vaker heeft ze geschreven over haar psychotische zusje Veerle. Nu komt ze – naar aanleiding van wat ze ontdekt over Mischa en haar intimi – tot een analyse van de mogelijke oorzaken van haar zusters geestesziekte. ‘Mijn overtuiging, terecht of onterecht, dat Veerle niet ziek zou zijn geworden als ze meer ruimte had gehad om haar seksualiteit te beleven. Er is in haar iets onderdrukt . Aan banden gelegd. Met straffen en met medicijnen; met maatregelen ter indijking van wat ingedijkt moest worden; soms letterlijk met riemen en elektroshocks. […] Allemaal zijn ze medeplichtig geweest: mijn vader, mijn moeder mijn broer. Ik niet. Ik heb geen hand gehad in haar, tja, welk woord zal ik er voor gebruiken, haar aanbandenlegging? Haar indijking?’

Maar even verderop vraagt ze zich af: ‘Met welk recht beschuldig ik de anderen? Hebben zij niet gedaan wat hun het beste toescheen? Hebben de psychiaters, de doktoors, de mensen die daarvoor hebben doorgestudeerd niet gezegd dat er moest worden ingegrepen? Voor haar bestwil? Jij, pappa, jij hebt meegedaan. Maar wat had hij moeten doen?’

De zusjes van Mischa, zo blijkt uit hun dagboeken en e-mails, hebben zich, vergeleken met Kristien Hemmerechts, voorbeeldig gedragen tegenover hun zusje. Ze hebben ‘geen bloed aan hun handen’, zoals Hemmerechts over zichzelf beweert, ze hebben Mischa geholpen tot op het eind en ingegrepen in medische beslissingen als ze dat nodig achtten.

Hugo Claus

Zeer verhelderend is hoe Hemmerechts haar eigen jeugdherinneringen koppelt aan Hugo Claus’ roman Het verdriet van België. Ze vertelt dat haar ouders – generatie- en buurtgenoten van Claus – nooit met haar over WO II en de wijdverbreide collaboratie spraken. Vervolgens verbaast ze zich erover dat Claus’ in diens postuum uitgegeven autobiografische teksten, De Wolken, niet rept over de Duitse sympathieën van zijn ouders. ‘Waarom die stilte over het oorlogsverleden van zijn ouders? Om hen te beschermen? Om afstand van hen te nemen? Uit schaamte? Gêne? Woede? Onmacht? Hij had fictie nodig om erover te schrijven. Waarom? Uit trouw of uit… tja, uit wat?’

Hemmerechts stelt deze vragen niet zozeer aan Claus, maar aan zichzelf. Keer op keer blijkt dat zij om door haar schaamte, gêne en woede heen te breken, juist non-fictie nodig heeft. Zowel Taal zonder mij als Kronkelpaden van het geheugen zijn sterker dan haar beste romans. Non-fictie stelt haar in de gelegenheid om op een persoonlijke manier literaire thema’s te problematiseren, wat haar in romans vaak minder goed af gaat. In haar boek over Mischa Peeters vraagt ze zich af waar ze het recht vandaan haalt intimiteiten over haar overleden ex-buurmeisje prijs te geven, terwijl ze zelf tegensputtert bij de gedachte dat ze mee zou moeten werken aan een biografie van Herman de Coninck. ‘Hoeveel meer intimiteit geef ik prijs.’ Dezelfde problematiek behandelde ze eerder in haar roman De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze (2005), waarin een fictieschrijfster niet durft te schrijven over een incestgeschiedenis in het pleeggezin waar ze zich thuis voelt. Die roman, over een fictief familiedrama, viel tegen omdat het meer een essay dan een roman was. In Kronkelpaden van het geheugen, waarin Hemmerechts op een integere manier met haar reëel bestaande bronnen omspringt, lukt het haar wél om geloofwaardig drama neer te zetten. Waar Hugo Claus fictie nodig had om zijn werkelijkheid vorm te geven, zo heeft Hemmerechts aan de werkelijkheid genoeg om haar literaire talent, beeldende kracht en formidabele inlevingsvermogen hun werk te laten doen.