Dorbeck

Bestond Dorbeck nou eigenlijk wel, of was hij een fantasie van Osewoudt? Het is een bekende vraag, die ook weer bij een nieuwe generatie lezers zal opkomen nu De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans in een gratis editie wordt verspreid.

Osewoudt wordt in de oorlog een held, daartoe aangezet door ene Dorbeck. Als blijkt dat zijn heldendaden juist schadelijk waren voor het verzet, wil hij zich na de oorlog beroepen op Dorbeck als opdrachtgever, maar die is en blijft onvindbaar. „Godverdomme, Dorbeck waar ben je? Vertoon je!” roept Osewoudt tijdens zijn laatste verhoor.

Het merkwaardige feit doet zich voor dat Hermans van zijn vele interviewers niet of nauwelijks de vraag naar de echtheid van Dorbeck kreeg. In het interviewboek met hem, Scheppend nihilisme, laat hij zich wel ontvallen dat hij de vraag niet essentieel vindt voor deze roman. „Essentieel voor die roman is, dat er bepaalde gevallen mogelijk zijn, waarin het niet valt uit te maken of ‘Dorbeck’, het kan iemand of iets anders wezen, werkelijk bestaat óf niet bestaat. Dat acht ik essentieel voor het hele leven.”

Dorbeck als belichaming van Hermans’ theorie dat werkelijkheid en waarheid onkenbaar, want nooit helemaal achterhaalbaar, zijn.

In een interview uit 1959/1962 met H.U. Jessurun d’Oliveira zegt Hermans dat hij het niet eens is met de dokter uit zijn roman, die Dorbeck ziet als een fantasie van Osewoudt, een soort superego. „Ik zelf deel niet het psychologische standpunt van die dokter, ik geef het alleen weer.”

Explicieter werd Hermans in enkele brieven. Twee ervan citeert zijn biograaf Willem Otterspeer (het eerste deel van zijn Hermans-biografie, vertelde hij me, komt september 2013 uit) in zijn pas uitgekomen boekje Dorbeck, waar ben je?, een nuttige handleiding voor nieuwe Hermans-lezers.

Een van deze brieven, die aan Saskia de Vries uit 1984, was al in 2010 gedeeltelijk verwerkt in het commentaar van deel 3 van Hermans’ Volledige Werken. Hermans legt haar uit dat het de personages in de roman zijn die niet kunnen uitmaken of Dorbeck bestaan heeft. „De lezer kan beter weten”, vindt Hermans, „maar komt toch in grote verwarring”. Dat betreurde hij. „Door al die moeilijkheden van de lezers ben ik tot de mening gaan overhellen dat de roman eigenlijk niet deugt, dat hij niet duidelijk genoeg uitdrukt wat mij voor ogen heeft gestaan.”

Otterspeer vond in het Hermans-archief nog een veel oudere brief, uit 1962, vier jaar na publicatie van De donkere kamer van Damokles, waarin Hermans aan de literator Jacques den Haan onomwonden schrijft: „Dorbeck bestaat wel degelijk, maar Osewoudt heeft door zijn schizofrene predispositie de schijn tegen zich. Maar hoe schizofreen hij ook wezen mag, dit bewijst niets tegen het bestaan van Dorbeck.”

Kortom, Dorbeck was geen verzinsel van Osewoudt, en als we volgens Hermans beter zouden hebben opgelet, hadden we dat kunnen weten. „De NSB-zoon van de drogist heeft hem immers gezien”, schrijft Hermans aan Saskia de Vries, „ook al denkt deze drogistenzoon dat het Osewoudt was in andere kleren.”

Voor Hermans was Osewoudt ook geen verrader of bedrieger. In het vóór de Bevrijding spelende deel was daarvan geen sprake, schrijft hij, „naderhand heeft hij de schijn tegen zich, verder niets.”

Ik hoop niet dat ik hiermee voor nieuwe lezers de magie van dit boek heb weggenomen – heus, het blijft prachtig.