De soundtrack van het gettoleven

Een lid van de underground, zoals de ‘alternatieve’ popmuziek omstreeks 1970 heette, dat serieus genomen wilde worden, deed er goed aan om een paar protestsongs over bijvoorbeeld de oorlog in Vietnam uit te brengen. Dit gold ook voor zwarte Amerikaanse muzikanten: wie meer wilde zijn dan een door liefdesverdriet gekwelde soulzanger, zong over segregatie en burgerrechten.

Soul uit de jaren 1965-1975, het gouden tijdperk van de politieke popmuziek, is dan ook de soundtrack van de opkomst en ondergang van de radicale zwarte beweging Black Power, schrijft de Amerikaanse muziekjournalist Pat Thomas in Listen Whitey! The Sights and Sounds of Black Power 1965-1975. Marvin Gaye, Curtis Mayfield, James Brown, Stevie Wonder, The Isley Brothers, Donny Hathaway – bijna alle grote stemmen van de soul maakten toen nummers over het leven in de zwarte getto’s van de Amerikaanse steden of over het nieuwe, zwarte zelfbewustzijn. James Browns ‘Say It Loud (I’m Black and I’am Proud)’ werd het clublied van Black Power.

Maar de invloed van Black Power op de muziek bleef niet beperkt tot soul, laat Thomas zien in zijn met platenhoezen, affiches en labels rijk geïllustreerde boek. Op een wat minder nadrukkelijke, want vooral instrumentale, manier dan hun soulbrothers getuigden ook jazzmusici als Horace Silver en Archie Shepp van hun nieuwe radicale zwarte zelfbewustzijn.

Zelfs blanke muzikanten kwamen met ‘zwarte’ nummers. In 1971 bracht Bob Dylan een ode aan de Black-Pantherleider George Jackson nadat deze was neergeschoten. Vier jaar later maakte hij het meer dan acht minuten durende ‘Hurricane’ over de zwarte bokser Rubin ‘Hurricane’ Carter die volgens Dylan ten onrechte in de gevangenis zat wegens moord. Graham Nash schreef in 1970 ‘Chicago’ over een politieke rechtszaak tegen acht zwarte Black Powerleiders en John Lennon sprak in interviews én in muziek (‘Angela’) zijn sympathie uit voor de gevangen Blank-Pantherleidster Angela Davis. Ook The Rolling Stones brachten een ode aan Angela Davis, ‘Sweet Black Angel’. Hierbij kan Thomas het niet laten te vermelden dat Stoneszanger Mick Jagger het liet bij lippendienst en Black Power nooit financieel ondersteunde.

Vijf jaar heeft Thomas gewerkt aan het opsporen van soul-, jazz-, rock- en andere platen over Black Power. Veel aandacht besteedt hij in Listen Whitey! aan de platen met toespraken van en interviews met Black-Pantherleiders als Huey Newton. De ene na de andere behandelt hij, met uitgebreide citaten. Hierdoor heeft Listen Whitey! een droog, encyclopedisch karakter gekregen.

Maar tussen de lange opsommingen staan ontdekkingen die het beeld van de Amerikaanse soul bijstellen. Zo heerst nog altijd de opvatting dat Motown, het label van onder meer The Supremes uit Detroit, zich als fabrikant van luchtige, commerciële soul voor zwart én blank Amerika verre hield van Black Power. Maar Thomas besteedt een heel hoofdstuk aan Black Forum, een dochteronderneming van Motown voor politieke platen. Motowns sublabel bracht niet alleen een plaat uit van bijvoorbeeld The Original Black Poets, de voorlopers van de latere miltante rappers, maar ook de ‘Free Huey!’-toespraak van Black-Pantherleider Stokely Carmichael. ‘Black Forum is een permanente weergave van het geluid van de strijd en het geluid van een nieuw tijdperk’, stond er in kleine letters op elke plaat.