Breivik als literair boegbeeld

De literaire lofzang op Anders Breivik van Richard Millet leidde in Frankrijk tot een affaire. Millet hekelt de ‘demonische’ multiculturele moderniteit, straattaal en de verthrillering van de literatuur. Staat hij sterk?

The pen of Norwegian mass killer Anders Behring Breivik, designed to prevent from being used as a weapon, is seen during the fourth day of trial proceedings in Oslo April 19, 2012. Breivik told a court on Thursday he had planned for even bigger attacks before killing 77 people and had prepared for the massacre by playing computer games. On the fourth day of his trial for the attacks in July, Breivik said he had considered bombing the annual May 1 parade in Oslo, a Labour Party convention and a conference of journalists but opted for a new plan after the bomb-making took too long. REUTERS/Heiko Junge/Scanpix/Pool (NORWAY - Tags: CIVIL UNREST CRIME LAW POLITICS) REUTERS

Heel even haalde de Franse schrijver Richard Millet (1953) onlangs de wereldpers met zijn ‘literaire lofzang’ op de Noorse massamoordenaar Anders Breivik. In Frankrijk ontstond een ‘affaire’, vooral omdat Millet, een auteur met tegen de vijftig titels op zijn naam, tevens redacteur en lid van het comité de lecture van Frankrijks meest prestigieuze uitgeverij Gallimard was.

In een openbare brief, mede ondertekend door tientallen collega’s, sprak schrijfster Annie Ernaux verontwaardigd van een ‘fascistisch pamflet’. Anderen eisten Millets ontslag. Uiteindelijk stapte hij uit het comité de lecture (dat bepaalt welke boeken door Gallimard worden uitgegeven), maar bleef aan als redacteur. Sindsdien is de rust weer neergedaald over Parijs. Terwijl Millet – zo werkt het in onze aandachtseconomie – de afgelopen twee maanden waarschijnlijk meer boeken heeft verkocht dan in zijn hele voorgaande carrière.

Daarmee is de kous af, zou je zeggen. Millets klachten over het verval van Europa, en van Frankrijk in het bijzonder, als gevolg van globalisering, massa-immigratie, Amerikanisering, multiculturalisme en politieke correctheid zijn allang niet meer uitzonderlijk. Hij werpt zich op als een martelaar voor de ‘waarheid’, maar deze waarheid klinkt inmiddels overal en heeft ook weerklank gekregen bij het publiek – in ons land dankzij Frits, Pim, Paul, Ayaan, Theo, Rita en Geert.

Toch heeft de Franse ‘affaire’ iets bijzonders, en dat komt doordat Millet de zorgen om globalisering en immigratie direct koppelt aan taal en literatuur.

Opvallend, en door zijn tegenstanders niet al te zeer benadrukt, is dat Millet een literaire lofzang houdt op Breivik. Wat kan er ‘literair’ zijn aan het opblazen van een ministerie en het doodschieten van 77 sociaal-democratische jongeren? En waarom noemt Millet Breivik een ‘gemankeerde schrijver’?

In elk geval niet vanwege diens op internet gepubliceerde ‘Compendium’, ook al vindt Millet het hier en daar ‘niet ontbloot van belang’. Nee, literair zijn Breiviks daden vanwege hun ‘formele perfectie’. Onmiddellijk denk ik dan aan componist Karl-Heinz Stockhausen die de terreuraanslag op de Twin Towers een ‘kunstwerk’ vond en aan Thomas de Quinceys ironische essay On murder considered as one of the fine arts uit 1854. Is Richard Millet misschien een romanticus die de grenzen van het betamelijke uit het oog is verloren?

Zo denkt hij er zelf vast niet over. In de diverse pamfletten die hij de laatste tijd publiceerde, vind je weinig sympathie voor de romantiek. Millet verwijt haar een afkeer van het ‘klassieke’, en dat suggereert waarnaar zijn eigen voorkeur uitgaat: naar het ‘classicisme’. Als het gaat om het neoliberale geloof in de markt of om het feit dat Millet in metro of RER weer eens de enige blanke was – telkens komt hij uit bij de schade hiervan voor de taal en de literatuur. Die zijn hun ‘klassieke’ kwaliteit kwijtgeraakt, omdat niemand zich meer om erfgoed en traditie bekommert.

Er wordt slordig geschreven, men verwaarloost spelling en syntaxis, straattaal lijkt even belangrijk geworden als schrijftaal – allemaal symptomen van een onwil om waar dan ook hiërarchie te aanvaarden: het ‘verticale’ heeft overal het veld moeten ruimen voor het ‘horizontale’, aldus Millet. Daardoor is de taal verworden tot een ‘fantoom’, een schim van zichzelf, zoals we kunnen lezen in het essay Langue fantôme, waaraan de Éloge littéraire d’Anders Breivik als appendix is toegevoegd.

Minder duidelijk is wat Millet precies bedoelt met ‘classicisme’. Bij Millet speelt zeker nostalgie naar de verdwenen Franse grandeur een rol. Het verval heeft al ingezet in 1763, toen Frankrijk afzag van een groot deel van zijn Amerikaanse koloniën, schrijft hij met typerende overdrijving in Désenchantement de la littérature (2007). Sindsdien regeert het Engels of liever een ‘internationale’ versie daarvan, die dodelijk uitpakt voor datgene waar literatuur het van moet hebben: de stijl.

Die echte literatuur bestaat in Frankrijk hooguit nog in de marge. Dominant daarentegen, niet alleen in Frankrijk maar in de hele westerse wereld, is de ‘postliteratuur’, een begrip dat Millet uitvoerig bespreekt in zijn L’enfer du roman uit 2010. De titel belooft niet veel goeds, en inderdaad: de postliteratuur bezorgt de roman een ‘hels’ postuum leven, waarin alles ‘roman’ heet en de 19de-eeuwse roman eindeloos wordt herhaald. Stijl, door studie en overgave ontwrongen aan traditie, ontbreekt en de taal is niet meer dan een doorgeefluik naar het verhaal; plot en intrige zijn alles, net als in een thriller of politieroman.

Dit is op zichzelf geen onzinnige kritiek: ook in Nederland doet zo’n verthrillering van de literatuur zich voor, literatuur wordt verward met informatie en amusement, en van het belang van stijl is lang niet iedereen doordrongen. Millet koppelt een en ander aan een soft humanitarisme en een ‘totalitaire’ democratie. Dat ligt minder voor de hand. Ik ben het met hem eens dat democratie in de literatuur (die bestaat bij gratie van het verschil, in opzet en niveau) niet thuishoort, maar Millet gooit in zijn furie alles op één grote hoop.

Dat is jammer, al laat het wel goed zien hoezeer hem het water aan de lippen staat: overal dreigt de vijand of zoals de katholiek Millet hem noemt, de ‘Demon’. De hel van de postliteraire roman wordt geregeerd door de duivel zelf. En als het kwaad overal zit, wat kun je als vroom schrijver dan nog doen? Het is ook deze ademnood en de mogelijke reactie erop, die de ‘affaire’ Millet de moeite waard maakt. Welke mogelijkheden staan iemand nog open die de moderne wereld waarin hij leeft uit de grond van zijn hart verafschuwt?

In de pamfletten en andere teksten die ik van hem las, lijkt Millet niet goed te kunnen kiezen tussen totale afzijdigheid, frontale aanval en ironisch spel. Hij beveelt ze alle drie aan, maar in de praktijk verzaakt hij de eerste gedragslijn: zodra je in de aanval gaat en met een ‘terrible ironie’ je tegenstanders voor het hoofd stoot, is de afzijdigheid of ‘mentale apartheid’, zoals Millet het uitdagend noemt,verspeeld.

De keuze voor de afzijdigheid, voor het niet meedoen aan het postliteraire bedrijf met zijn publiciteit, beantwoordt geheel en al aan de verheven opvatting die Millet van het ware schrijven heeft. Het schrijven als een eenzame, bijna solipsistische, ja autistische eredienst aan de taal, zonder te denken aan publiek of succes. ‘Het echec waardig zijn’ – zonder dat wordt het niets. Millets grote voorbeeld in deze is Maurice Blanchot, de literaire kluizenaar van wie bij zijn dood in 2003 niet eens een recente foto in omloop was.

Literatuur raakt voor Millet aan het goddelijke en het sacrale. Wat dat kan opleveren toont de mooie vertelling Intérieur avec deux femmes, die hij eerder dit jaar publiceerde. De transcendentie van de kunst blijkt er zelfs een heilzaam effect te sorteren in de erotische huishouding van de verteller.

Voor Nederlandse lezers is dit verhaal extra interessant omdat het zich voor een deel afspeelt in Amsterdam, waar Millets hoofdpersoon en alter ego in het Maison Descartes een conferentie bijwoont met Nederlandse collega’s. Vanuit de verte zien we Hella S. Haasse voorbijkomen, maar helaas geen andere herkenbare schrijvers.

Het heil, in de vorm van een innerlijke ‘verlichting’, dient zich aan in het Rijksmuseum waar de schilderijen van Rembrandt, Vermeer en Pieter de Hoogh voor een soort catharsis zorgen. Daarna kan de verteller weer terug naar Parijs en naar een nieuwe geliefde, zij het niet zonder zich eerst (net als op de heenreis) groen en geel te hebben geërgerd aan een grote moskee in Rotterdam.

Die ergernis verraadt dat Millet, ook als hij ‘zuivere’ literatuur tracht te schrijven, zijn polemische en pamflettistische habitus niet kan uitschakelen. Dat ligt vermoedelijk aan zijn strijdbare inborst, die hem er in het verleden toe heeft verleid daadwerkelijk aan een oorlog deel te nemen. In Libanon (waar hij als jongen een aantal jaren had gewoond) zou hij in 1975-’76 aan christelijke zijde hebben meegevochten in de burgeroorlog. In Confession négative (2009) vertelt hij er met smaak over.

In een ander dit jaar gepubliceerd pamflet, met de provocerende titel De l’antiracisme comme terreur littéraire, schrijft hij enthousiast over ‘het lied van de kalasjnikov of de M16’ en meldt hij dat hij nooit heeft ‘ontwapend’. Voor hem is het nog altijd oorlog, een oorlog waarin het erom gaat zijn tegenstanders zo gevoelig mogelijk te raken, ook al schiet hij zelf tegenwoordig (anders dan Breivik) nog alleen met woorden. In weer een ander boek (L’opprobre, De schandvlek, uit 2008) legt hij uit dat men hem maar moet beschouwen als een ‘monnik-soldaat’, in permanent gevecht verwikkeld met de ‘Demon’. In de Franse literatuurgeschiedenis is hij de enige niet. Met zijn curieuze mix van zin en onzin, diagnose en delirium past Millet wonderwel in de traditie van (om met Antoine Compagnon te spreken, zie Boeken, 10.06.2005) ‘anti-moderne’ polemisten, die reikt van Joseph de Maistre tot Jules Barbey d’Aurévilly en van Léon Bloy tot Georges Bernanos. De uitzinnigste beschuldigingen en beledigingen worden door hen met stijl en verve de wereld in geslingerd.

Bij Millet komen we het tieren van Céline tegen, vervat in de volzinnen van Proust. Hier vindt ook zijn ‘verschrikkelijke ironie’ haar plaats – die overigens (om dichter bij huis te blijven) tevens doet denken aan wijlen Gerard Reve en Frans Kellendonk, vergelijkbare strijders tegen een ‘demonische’ multiculturele moderniteit. Van Millets stilistische bravoure gaat ontegenzeggelijk een bedwelmend effect uit. Het is altijd een genoegen goed geschreven proza te lezen. Maar weer nuchter, merk je dat Millet vaak toch wat al te makkelijk cultuurkritische clichés aaneenrijgt en, ondanks alle ironie, op het perverse af het mediaspel meespeelt dat hij zegt te verachten. Het maakt zijn verzekering dat het hem alleen om de taal en de literatuur te doen is, minder overtuigend. Baudelaire schreef al dat je voorzichtig moet zijn met schelden op het gepeupel, voor je het weet raak je geëncanailleerd. Ook vijanden kunnen besmettelijk zijn.

Richard Millet is het niet gelukt zich te houden aan de ‘grote weigering’, die hem door Blanchot (in diens L’entretien infini) wordt aanbevolen. Het heeft hem een ‘affaire’ opgeleverd, een even vluchtige als dubieuze faam en, al zal hem dat minder kunnen schelen, dit stuk van mij, want ik weet niet of ik hem anders ooit was gaan lezen. Wie kan de verleidingen van het mediale mechanisme tenslotte wel weerstaan?

Maar de literatuur, de echte, was wellicht meer gebaat geweest met de afzondering en de stilte, die volgens Millet haar onmisbare element vormen.

Richard Millet: Langue fantôme : Essai sur la paupérisation de la littérature suivi de Eloge littéraire d'Anders Breivik. Pierre-Guillaume de Roux Editions, 128 blz. € 15,20