Bedolven onder goede bedoelingen

De hulpindustrie moet duurzame economische groei stimuleren, stelt Monique Samuel.

‘Ah Kigali”, verzucht de Italiaanse projectleider van een groot constructiebedrijf. „Zo’n mooie stad. Kijk dan!” Enthousiast wijst hij uit het vliegtuigraam. „Rwanda is het echte Afrika... Al nemen de Amerikanen alles over. Zelfs het Engels heeft het Frans als officiële voertaal verdreven.”

Anderhalf uur later landen we in Entebbe, een klein plaatsje aan de oever van het Victoriameer. Vanaf hier vertrek ik met een busje richting de Oegandese hoofdstad Kampala.

„Kampala is ook mooi hoor, de hoofdstad is schoon en rustig, maar toch is het anders. Sinds de VN hun hoofdkwartier voor Oost-Afrika naar Kampala hebben verhuisd is de stad veranderd. Er is geld, er zijn blanken die in SUV’s tussen hun suikerpaleisjes rondrijden. En er zijn heel veel Nederlanders.”

Oeganda is het lievelingetje van de Nederlandse ontwikkelingshulp. Bijna alle toonaangevende Nederlandse NGO’s runnen hier projecten. In Garden City, een semi-Amerikaans winkelcentrum, zie je de medewerkers in tropenkleding en op Teva-slippers potten mayonaise en pindakaas inslaan. In de vrijwel lege schappen staan zelfs pakken speculaasjes.

Terwijl in het grijze Nederland boze VVD’ers over elkaar heen buitelen om zich te beklagen over de misselijkmakende, linkse nivellering in de zorg, loungen de ontwikkelingshulpwerkers in de tuinen van chique restaurants. Het zijn de nadagen van een tijdperk. De grootste bezuiniging van het nieuwe „bruggenbouwkabinet” zal de medewerkers van ontwikkelingshulporganisaties hard raken. Er zal 1 miljard euro op ontwikkelingshulp worden gekort. Naast eerdere bezuinigingen en lagere afdracht door de koppeling aan het bnp, krijgt de goededoelensector opnieuw een veeg uit de pan.

Tot mijn eigen verbazing las ik het bedrag van 1 miljard euro zonder met de ogen te knipperen. Het is niet goed als de Nederlander voortdurend in moet leveren terwijl de bestedingen aan ontwikkelingshulp onveranderd hoog blijven, dacht ik voor een luttel ogenblik. Toen drong de aard en omvang van het bedrag tot mij door. 1 miljard euro. Daar kun je in een straatarm land als Ethiopië 22.000.000.000 broodjes van kopen. Ergo: iedere Ethiopiër kan 279 dagen lang een broodje eten.

Maar met broodjes help je de ‘hongerige’ Afrikaan niet verder.

Boeren hebben zaad nodig zodat ze het graan zelf kunnen verbouwen en op den duur de overschotten zelfs kunnen exporteren. Zo komt er structurele economische groei op gang. En als de productie van dat graan dan ook nog eens op duurzame wijze gebeurt, heb je ook de toekomstige generatie van brood én zuurstof voorzien.

Noodhulp is een goedkope pleister als het om armoede gaat. Ontwikkelingshulp is simpele symptoombestrijding voor de verwoestijning als gevolg van klimaatsverandering.

De ‘derde wereld’ heeft geen baat bij kortetermijnprojecten om ons van ons schuldgevoel te verlossen. Zij is gebaat bij vrije handel, steun voor projecten van binnen uit, microkredieten voor kleine duurzame ondernemers, schuldverlichting, de afschaffing van westerse landbouwsubsidies, een einde aan dubieuze geldstormen en het belangrijkste van alles: overheden die zich actief inzetten voor een duurzamere en schonere wereld – te beginnen in eigen land.

„Stop die hele goededoelenbusiness”, siste een advocate me toe. „Jullie werken corruptie in de hand en houden dit regime in stand. Geef ons onze onafhankelijkheid terug!”

Door de koppeling van ontwikkelingshulp aan handel zet de regering Rutte-Samsom voor het eerst een voorzichtige stap in de juiste richting. Maar de 250 miljoen euro die voor dit steunfonds is gereserveerd, is niet toereikend.

Bovendien lijkt deze ontwikkelingshandel vooral bedoeld om de Nederlandse economie te spekken in plaats van onontwikkelde gebieden verder te helpen. Anno 2012 snakken de meeste Afrikanen nog steeds naar echte onafhankelijkheid.

Monique Samuel (23) is politicoloog en auteur. Dit voorjaar verscheen haar boek ‘Mozaïek van de Revolutie: een kijkje achter de voordeur van mijn nieuwe Midden-Oosten’.