25 jaar IDFA - kijktips van NRC: punkiconen met dreadlocks

Voor de 25ste editie van IDFA is de kaartverkoop inmiddels gestart. De filmredactie van NRC Handelsblad maakte een overzicht van hoogtepunten van dit jaar. In aanloop naar de aftrap op 14 november lichten we dagelijks een kijktip uit. Vandaag: zwarte punkiconen.

De zwarte broers David, Dannis en Bobby Hackney uit Detroit stonden aan de basis van de punkrock. Deze gebroeders Hackney speelden begin jaren zeventig in hun kelder in Detroit snoeiharde punk, nog voordat het genre was uitgevonden. Op IDFA verschijnt een documentaire over het gezelschap: A Band Called Death.

‘Punk was voor blanken, Motown voor zwarten’

Binnen de zwarte gemeenschap in Detroit werd er meewarig naar de broers gekeken. Rock was muziek voor blanken; Motown was voor hun. Als vader Hackney overlijdt, besluit het creatieve en spirituele brein David de bandnaam om te dopen tot Death. Maak kennis met: A Band Called Death. Voor nieuwsgierigen: de band treedt op 17 november op in De Melkweg.

‘Een verademing’

Vijfendertig jaar na de oprichting werd de band plotseling wakker gekust door punkfanaten, die in hun mateloze verzameldrift honderden dollars boden voor een plaatje van Death. Dit door hun in eigen beheer opgenomen singeltje raakten ze destijds aan de straatstenen niet kwijt, zo schrijft Frank Provoost na het zien van de film in NRC. Death werd postuum uitgeroepen tot pionier van het genre. “This band was punk before punk was punk”, jubelde The New York Times. De recensie van Provoost:

Het is even wennen om in een stel schaterlachende vijftigers met dreadlocks tot op de heupen nieuwe punkiconen te zien. Maar wie de broers bezig ziet en hoort in de documentaire A Band Called Death moet toegeven: het is een verademing.

Een documentaire over een band die drie decennia te laat is ontdekt kampt uiteraard met een schreeuwend gebrek aan bewegend beeld. Regisseurs Mark Covino en Jeff Howlett trekken daarom hun trukendoos open en verknippen alle spaarzame foto’s tot een soort bewegende 3D-kijkdoos. Steekt een van de broers ergens op zo’n kiekje een sigaret op, dan stijgt er echte rook op van het plaatje. Je moet wat.

De beelden uit het heden maken gelukkig veel goed, bijvoorbeeld als zanger-bassist Bobby huilend toekijkt hoe zijn eigen zonen Bobby Jr., Julian en Urian in hun eigen punkband Death-nummers coveren en zo de familie-erfenis nieuw leven inblazen. Maar het moet gezegd: voor een punkfilm stromen er erg veel tranen.

Het doet niets af aan het prachtige verhaal dat begon met een gelukje. Van het smartengeld dat hun moeder overhield aan een botsing mochten haar zonen instrumenten kopen. Aanvankelijk hadden die geen idee wat ze moesten spelen, zoals ook bleek uit hun eerste bandnaam: Rock Fire Funk Express. Maar nadat de broers The Who en Alice Cooper zagen optreden, wisten ze het zeker. Voortaan zouden ze „pure rock ’n roll” maken.

Dat al hun vrienden destijds dansten op disco van Earth Wind & Fire en dus van Death niets begrepen, boeide niet. Zelfs het feit dat de door David bedachte bandnaam garant stond voor commerciële zelfmoord, leek hen niet te deren.

De naam zou Death uiteindelijk ook opbreken. Ze namen weliswaar de elpee Death… For The Whole World To See op, maar alvorens die uit te brengen eiste de platenbons een naamsverandering. Bobby en Dannis mompelden “oké”, maar David weigerde hartstochtelijk – en hoe punk! – met de woorden: “Hell no!”

Daarmee brak de vergetelheid aan. Dannis en Bobby gingen verder in een reggaeband, David raakte aan de drank en stierf in 2000 aan longkanker. Voor zijn dood gaf hij de mastertape van de plaat aan Bobby met de woorden: “Op een dag zal de wereld er naar zoeken.”

In 2009 zou de plaat inderdaad verschijnen. Sindsdien treedt Death ook weer op, met een andere gitarist. De tragiek, treuren de broers, is dat David te laat gelijk heeft gekregen. “Wij zeiden altijd dat hij een dromer was, maar wij maken het nu mee. Het lijkt net een film. En tegen wil en dank zijn wij de sterren.”