Vrede en recht als Haagse banenmotor

Den Haag trekt als ‘stad van vrede en recht’ tal van organisaties. Maar het krappere subsidiebeleid maakt de gemeente minder aantrekkelijk.

Vanuit zijn werkkamer is net de toren te zien van het Vredespaleis waar het Internationaal Gerechtshof zetelt. Voor Diederik Stolk is de nabijheid van dit soort organisaties meer dan symboliek. „Afstand moet je niet onderschatten, face to face contact is heel belangrijk”, zegt de projectmanager van Pax Ludens. „Clingendael, de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden en de belangrijke ministeries bevinden zich allemaal op loopafstand. Ook al onze zusterorganisaties zijn hier gevestigd, ik hoef Den Haag niet uit.”

Stichting Pax Ludens, die trainingen en simulatiespellen ontwikkelt voor organisaties die zich bezighouden met (internationale) conflicten, vestigde zich drie jaar geleden in een bedrijfsverzamelgebouw aan de Zeestraat. De gemeente stelt drie verdiepingen daarvan beschikbaar aan ngo’s. Stolk: „Den Haag heeft met z’n ministeries en internationale organisaties voor vrede en recht een natuurlijke aantrekkingskracht. De gemeente weet dat goed uit te buiten.”

Sinds 2006 profileert Den Haag zich als ‘internationale stad van vrede en recht’. Naast internationale overheidsorganisaties, bedrijven en tribunalen wil de stad ook niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) aantrekken. Hun aantal is in tien jaar verdubbeld tot 120. Ze houden zich vooral bezig met vrede en recht, duurzaamheid en water. Veel ervan zijn bij het grote publiek onbekend; instellingen als TIYE International, Initiatives of Changes en Microjustice4All. Maar ook Amnesty International zit er.

Den Haag schrijft de toename vooral toe aan een „consistent acquisitiebeleid”. In twee bedrijfsverzamelgebouwen huurt de gemeente kantoren, die ‘marktconform’ worden doorverhuurd aan ngo’s. In het gebouw aan de Zeestraat zitten er tien, een pand aan de Laan van Meerdervoort huisvest er twintig. „Voor ngo’s is het aantrekkelijk om zich te vestigen op een plek waar veel andere zitten”, zegt wethouder internationale zaken Marjolein de Jong (D66).

Door onder andere het Internationaal Strafhof en het Joegoslaviëtribunaal haalt Den Haag regelmatig de grote internationale media. Een diplomaat noemde de stad eerder dit jaar tegenover persbureau Reuters een „broedmachine, een soort juridisch Silicon Valley”. Het Haagse stadsbestuur kun je geen groter plezier doen dan met zulke vergelijkingen. Om het imago, maar ook om reden van werkgelegenheid. Volgens De Jong levert elke baan bij een internationale organisatie een lokale arbeidsplaats op. In de stad werken ruim 12.000 mensen bij internationale organisaties, in de regio nog eens 6.000. Daarmee vormen de organisaties de „grootste banenmotor” van de regio. Hun bestedingen bedroegen in 2010 2,7 miljard euro, een miljard meer dan drie jaar eerder. Onder andere schoonmaak- en beveiligingsbedrijven en de middenstand profiteren.

Bij de meeste ngo’s in Den Haag werken maar een paar mensen. Ze moeten het over het algemeen doen met beperkte middelen en de salarissen zijn er niet zo riant als bij ambassades en grote internationale organisaties. Toch zijn de ngo’s volgens De Jong van economisch belang. „Ook zij geven geld uit in de stad en geven kappers en bloemisten werk. En zij versterken ons profiel als de internationale stad van vrede en recht.”

Toch wordt Den Haag minder attractief, vindt Steven Stegers, senior manager bij EUROCLIO, de Europese vereniging van geschiedenisonderwijsgevenden. Dat komt door een soberder subsidiebeleid van gemeente en rijksoverheid. Den Haag betaalde drie jaar lang ruim de helft van de kantoorhuur in een Haags ‘ngo-gebouw’, maar is gestopt met huisvestingssubsidie voor ngo’s. Stegers: „Je ziet nu ngo’s uit het pand vertrekken omdat ze de huur te hoog vinden. De gemeente toont veel betrokkenheid, onder meer door netwerkbijeenkomsten te organiseren. Maar de meeste organisaties hebben meer aan een financieel steuntje in de rug.”