Sterviolist Kavakos is juist niet romantisch

Leonidas Kavakos, viool/Enrico Pace, piano. Gehoord: 5/11, Concertgebouw Amsterdam.

Over Beethoven doen veel clichés de ronde, bijvoorbeeld dat hij een rebelse romanticus zou zijn, die zijn diepste zielenroerselen in muziek vertaalde. Veel violisten spelen zijn vioolsonates daarom als roerige, getormenteerde betogen.

De Griekse sterviolist Leonidas Kavakos (1967) is echter wars van alle emotionele chargering. Met onpretentieus, smaakvol spel koos hij er, samen met pianist Enrico Pace, voor de lichtvoetige kant van Beethoven te belichten.

Royaal straalde de levenslust in de jeugdige Frühlingssonate. In de Sonate in a klein opus 23 wisselden Kavakos en Pace elkaar af in galante, evenwichtige dialogen. Zo werd fraai hoorbaar hoe dicht de jonge Beethoven nog tegen de door hem zo bewonderde Mozart aanleunde.

Kavakos speelt zo nadrukkelijk anti-romantisch dat hij soms bijna klinkt als een barokviolist: gedoseerd vibrato, heldere articulatie en bovenal weinig druk op de snaar. Juist hierdoor werd zijn toon echter vaak wat onpersoonlijk en koel.

In de haast Schubertiaanse Sonate in G groot opus 96, maar ook in de lyriek van de vroege sonates zou een meer warmbloedige, bezonken klank de intensiteit en diepgang nog hebben vergroot.

De toegift, de finale uit de Sonate in G groot op. 30, was Kavakos’ echter geheel op het lijf geschreven. In dit even meeslepende als onbekommerde werk stuwden Pace en Kavakos elkaar op tot een stralende climax.