Pin-ups voor Victorianen

De prerafaëlieten wilden met hun schilderijen terug naar klassieke waarden als schoonheid en waarheid. Hun kunst is soms onversneden romantisch, zo blijkt op een expositie in Tate Britain.

Picture 181

Opkomend conservatisme, angst voor mondialisering, verlangen naar schoonheid en geruststelling – je zou kunnen zeggen dat Tate Britain de tijdgeest haarfijn aanvoelt door deze herfst een grote prerafaëlietententoonstelling te organiseren. De tijd is er weer naar. Ga maar na: waar we tegenwoordig worstelen met een gestaag doorpruttelende crisis, de invloed en de macht van internet, onzekerheid over de rol van religie en mondialisering, zag de westerse mens van rond 1848 zich geconfronteerd met precies dezelfde soort gevaren. Treinen die soms wel zeventig kilometer per uur haalden brachten mensen sneller en verder weg van hun geboortegrond, stoomschepen verbonden mensen over de hele wereld, in de steden werd de industriële arbeidersklasse groter en dominanter – mensen verlangden steeds vaker terug naar de tijd van de gildes toen de wereld nog afgebakend en overzichtelijk was. Nu volgde echter de ene wetenschappelijke uitvinding de andere op en de fotografie veranderde het beeld van de wereld. Niet voor niets staat 1848 nog steeds bekend als het revolutiejaar: overal in Europa braken rellen uit en de heersende klasse in landen als Frankrijk en Engeland beefden in hun paleizen omdat ze vreesden door plompe arbeiders uit hun macht te worden gestoten.

In datzelfde jaar besloot een groepje jonge Engelsen, die de demonstraties van de revolutionaire Engelse Chartisten nog van een afstandje hadden aanschouwd, dat het ook in de kunst anders moest. Dante Gabriel Rossetti, John Everett Millais en William Holman Hunt vonden dat het voortdurende streven naar vooruitgang de kunst van hun tijd decadent en betekenisloos had gemaakt (en dan hadden ze nog nooit een conceptueel kunstwerk of een installatie gezien). Ze wilden oude (platonische) artistieke oer-waarden als schoonheid en waarheid weer in ere herstellen – waarden, die in hun ogen voor het laatst hadden bestaan in de tijd vóór de Renaissance, de tijd dat zowel de mensheid als de kunst nog puur en onbedorven was. En omdat ze Rafael beschouwden als het hoogtepunt van gecultiveerdheid en beschaving, namen ze hem als ijkpunt: ze noemden zichzelf de prerafaëlieten om aan te geven dat ze terug wilden naar de tijd daarvóór.

Rossetti, Millais en Hunt, die zichzelf als een broederschap beschouwden (klassieke jongensboekenromantiek, inclusief de ‘geheime code’ PRB onderaan hun doeken) ontwikkelden hun ideeën niet alleen onder invloed van denkers als Auguste Pugin en de kunstenaar en schrijver John Ruskin, maar ook doordat er in de jaren veertig verschillende ‘prerafaëlitische’ schilderijen in de collectie van de National Gallery werden opgenomen. De beroemdste daarvan was ongetwijfeld Jan van Eijcks Arnolfini-portet (1434), maar ook de komst naar Londen van enkele panelen van het San Benedetto Altaarstuk (ca. 1409) van Lorenzo Monaco had veel impact. Zo ongekunsteld, zo onbedorven schilderen, dat wilden de jonge Engelsen ook.

Daarmee, en dat is niet onbelangrijk, braken ze misschien wel als eersten met het vooruitgangsmechanisme in de kunst: de prerafaëlieten zochten de artistieke vooruitgang en verandering niet in nieuwe vormen, niet in de toekomst, maar in het hernemen van oude vormen die hun kracht al hadden bewezen. Zo schiepen ze welbewust een intrigerende paradox: de prerafaëlieten wilden vooruit door terug te kijken – precies hetzelfde mechanisme waar steeds meer kunstliefhebbers van tegenwoordig naar verlangen.

Kind van zijn tijd

Het mooie aan de tentoonstelling in Tate Britain is dat de samenstellers heel goed laten zien hoezeer Rossetti, Millais, Hunt en later ook schilders als Ford Maddox Brown en Edward Burne-Jones zich in een lastig parket hadden gemanoeuvreerd. Dat wordt al mooi geïllustreerd in de eerste zaal waar, tamelijk gedurfd, het genoemde vijftiende-eeuwse paneel van Lorenzo Monaco wordt getoond naast vroege werken van Rossetti en Hunt. Vooral de confrontatie tussen Monaco en Rossetti’s De jeugd van de Maagd Maria (1848-1849) is een eyeopener. Je ziet aan alles dat Rossetti oprecht heeft geprobeerd te schilderen in een stijl die hij als veertiende- of vijftiende-eeuws beschouwt, maar tegelijk is hij veel te veel een kind van zijn eigen tijd om de moderne verworvenheden van de schilderkunst af te leggen. Neem het lineaire perspectief. Waar Lorenzo’s heiligen op een tegelvloertje staan waarvan je als hedendaagse toeschouwer behoorlijk zeeziek wordt, zie je Rossetti hoogstens wat stoeien met zijn verdwijnpunten. Het perspectief op zijn grijzige tegelvloertje klopt niet helemaal, de linkerkant loopt steiler dan de rechter, maar dat roept nauwelijks middeleeuwse associaties op – laat staan dat het er ‘primitief’ of ‘puur’ uitziet. Nog opvallender is Rossetti’s behandeling van het licht: waar Lorenzo onmiskenbaar werkt volgens de schema’s die zijn tijd hem dicteerde (grove, rechte, wat hoekige schaduwen), kan Rossetti het niet laten Maria en Anna in een subtiel meervoudig en weerkaatst licht te zetten. Daarmee illustreerde hij al op een van de vroegste prerafaëlitische schilderijen een cruciaal dilemma, dat de leidraad zal blijken te zijn voor vrijwel alle retro-avant-gardes die nog op hen zullen volgen: de kunstenaar die zich aan de tijdgeest wil onttrekken, doet dat vanzelfsprekend op de manier die door diezelfde tijdgeest wordt gedicteerd. Een pijnlijke paradox is het, waar, in ieder geval door de prerafaëlieten, niet aan te ontsnappen bleek.

Hoe dat werkt wordt perfect geïllustreerd op de rest van de expositie. De prerafaëlieten mogen er dan nobele, naïeve en zeer verheven ideeën op na houden over de schilderkunst, haar plaats in de maatschappij en vooral haar hogere doelen, het is opvallend hoe snel de idealen van een middeleeuwse puurheid worden ingeruild voor een schilderstijl die, in ieder geval achteraf, verdacht goed bij hun eigen tijdgeest aansluit. Natuurlijk, de onderwerpen die de prerafaëlieten schilderen zijn vaak onverwacht en nieuw – weinig historische heroïek, nauwelijks contemporaine heersers en magistraten, maar een (op dat moment) prettig tegendraadse voorkeur voor verhalen en mythen uit de Middeleeuwen, in het bijzonder die zijn ontleend aan schrijvers als Petrarca of Boccaccio. Hun stijl ontwikkelt zich echter al heel snel de andere kant op: vrijwel meteen nadat de prerafaëlieten aan de weg gaan timmeren, sluipt er een soort romantisch realisme in dat al snel ook op andere plaatsen in Europa opduikt.

Tegelijk gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de drie belangrijkste prerafaëlieten daarbij niet over een kam zijn te scheren. Millais, zonder twijfel schildertechnisch de meest virtuoze, gaat steeds realistischer werken, maar doet dat zo overtuigend dat je hem veel vergeeft – niet voor niets is zijn Ophelia, het doek waarop we het Shakespeare-personage (uit Hamlet) in het water zien liggen omgeven door een groene weelde aan bloemen en waterplanten, nog steeds een van de beroemdste Engelse schilderijen uit de negentiende eeuw. Rossetti daarentegen houdt het langst de band vast met het ‘primitieve’ streven – voor puristen (als ondergetekende) is een doek als Ecce Ancilla Domini! (1849-’50, een annunciatie) een prachtig, schijnbaar naïef geschilderde kathedraal van wit-tonen, juist daarom een hoogtepunt van de tentoonstelling.

Maar ook wordt duidelijk dat het aanvankelijk zo verheven prerafaëlitische streven steeds vaker verzandt in onversneden kitsch, waarbij de verwijzingen naar de Middeleeuwen alleen nog maar een alibi lijken om de ogen nog groter, de kleuren nog feller en de taferelen nog zoeter te maken. Van de drie grondleggers maakt Holman Hunt zich daar het vaakst schuldig aan – na een zaal of vijf word je giechelig van al die kuise, idealistisch mooie vrouwen, de dartelende lammetjes, de kindertjes die met terneergeslagen ogen staan te bidden en de overmatige detaillering van planten, struiken en kledingstukken die zo voortdurend wil imponeren dat alle dynamiek hardhandig uit de voorstellingen wordt geperst.

Ongrijpbaar verleden

Je beseft ook dat het voor de tijdgenoten van de prerafaëlieten ongetwijfeld anders heeft gewerkt: juist doordat hun voorstellingen zo nadrukkelijk in een geïdealiseerd, ongrijpbaar verleden werden geplaatst (wat wij nu veel minder als zodanig herkennen), moet er voor de negentiende-eeuwse toeschouwer om deze doeken ook een air van verloren gegane schoonheid, van idealisering en zelfs melancholie hebben gehangen.

Des te opvallender dat ook die hobbel door de prerafaëlieten vrij geruisloos wordt genomen: op de laatste doeken, met name de vrouwenportretten van Rossetti in de laatste zalen, zijn de verwijzingen naar de Middeleeuwen nauwelijks meer dan eenvoudige alibi’s om onversneden ‘mooie meiden’ te kunnen schilderen: hier trekt een parade van vrouwen voorbij met prachtige bleke huid, volle lippen, bossen dieprood haar. Perfecter, idealistischer kan het niet. Pin-ups voor Victorianen.

Ondertussen haalde de tijdgeest de prerafaëlieten razendsnel in. Het is een curieuze ervaring om, lopend door Tate Britain, te beseffen dat het leeuwendeel van deze mooie, maar in wezen diep conservatieve schilderijen werd gemaakt in dezelfde tijd als Manet zijn Olympia schilderde, Whistler met zijn ‘Nocturnes’ de abstractie aftastte en Degas zijn Bellelli-familie vastlegde – waardoor de prerafaëlieten al snel als conservatief en ouderwets in de coulissen van de kunstgeschiedenis werden geparkeerd.

Kunstenaars stortten zich toch maar liever weer op vooruitgang en nieuwe vrijheden. Tenminste: zolang de mondialisering de mensen niet te veel verwarde, de techniek hanteerbaar bleef en de mensheid niet met al te veel verschillende wereldvisies tegelijk om de oren werd geslagen.

Op zo’n moment blijken behoudzucht en het verlangen naar onversneden schoonheid toch telkens weer de kop op te steken. Maar dan wel weer anders, natuurlijk.

‘Pre-Raphaelites: Victorian Avant-Garde’. T/m 13 jan in Tate Britain, Millbank, London. Dag. 10-18u, vr tot 22u. Inl. www.tate.org.uk