‘Naarmate je ouder wordt, word je onzekerder’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 22: schrijver, illustrator en cartoonist Peter van Straaten (1935). Hij woont en werkt in een appartement op het KNSM-eiland in Amsterdam.

‘Vanuit mijn werkkamer heb ik een prachtig uitzicht op het IJ. Hier bewaar ik alle boeken en kalenders die ik geïllustreerd heb. En in de archiefkast liggen zevenduizend originele tekeningen. In laatjes, alles op onderwerp gerangschikt. Kantoor, echtparenleed, bedscènes. Veel werk van collega’s aan de muur.

Mijn weekritme is sinds kort omgegooid. Toen ik begin dit jaar stopte met mijn dagelijkse cartoon in Het Parool dacht ik dat ik zeeën van tijd zou hebben. Dat bleek helemaal niet zo te zijn. Daarom hebben we besloten de donderdag en vrijdag voortaan vrij te houden; die dagen willen Els (Timmerman; zijn vrouw, red.) en ik tijd hebben voor elkaar. De week begint bij mij nu op zondag. Na het ontbijt ga ik eerst de krant goed lezen. En ik maak twee puzzels: die uit de Volkskrant en Trouw. Altijd. Die móéten eerst af. Ik ben eraan verslaafd. Een heerlijke ergernis ook: dan staan er weer taalfouten in, of de omschrijvingen zijn raar. Later op de dag nog de puzzel van NRC en het cryptogram. Ik heb die kranten ook vanwege de cartoons die erin staan. Pieter Geenen is fantastisch; Peter de Wit met zijn Sigmund óók. Gummbah – die vind ik echt briljant. Mark Retera met Dirkjan. Dat zijn mijn helden van dit moment.

Op zondag maak ik de politieke spotprent voor Vrij Nederland. Dat blad ligt pas op donderdag in de winkel, ik kan dus niet heel erg actueel zijn. Ik teken langlopende actualiteiten; de grotere dossiers, zoals het misbruik in de kerk. Op maandag werk ik aan mijn stukje voor NRC, dat vrijdag op de Achterpagina staat. Ik mag het over alles hebben, heerlijk vind ik dat. Ik grijp veel terug naar het verleden; eigenlijk zijn het verkapte memoires. Van tevoren weet ik niet waar ik het over ga hebben. Ik ben iedere keer in paniek. Maar er komt altijd iets. Ik schrijf eerst het stukje. Nog best lastig om aan die 270 woorden te komen: het zijn kleine onderwerpen, dan ben je gauw uitgesproken. Het kost me vaak moeite om de tekening erbij te maken. Het stukje is af, maar ik zie geen tekening voor me. Die beelden ga ik eerst oproepen in mijn hoofd, tot ik denk: dat is het. Op dinsdag ga ik ’s middags biljarten met andere bejaarden op De Kring (kunstsociëteit, red.). Die ochtend en de woensdag teken ik cartoons, waaronder een wekelijkse voor de Volkskrant. Een deadline maakt me angstig. Ik werk altijd zo veel mogelijk vooruit en probeer een voorraadje te hebben van minstens twee afleveringen. Mijn vrouw is mijn belangrijkste klankbord. Alles laat ik eerst aan haar zien, ik vertrouw blind op haar oordeel. Ze heeft altijd gelijk.

Soms maak ik eerst een schets met potlood. Als die goed is ga ik er vervolgens met inkt overheen. Dat gaat wel ten koste van de lijn; het ziet er spontaner uit als je de inkt direct op het papier zet. Vroeger deed ik dat nooit, zo’n schets. Maar naarmate je ouder wordt, word je onzekerder. In feite is het overtrekken – eigenlijk vind ik dat heel vervelend. Soms staat de tekening in een half uur, maar ik kan ook uren bezig zijn. Het is ambachtelijk handwerk wat ik doe. Bijna iedereen gebruikt tegenwoordig de computer bij het illustreren, maar zelfs de kleurvlakken doe ik nog handmatig, met kleurpotlood of aquarel. Voor de lijnen gebruik ik Oost-Indische inkt en omsteekpennetjes, die ik bij bosjes weggooi. Fouten zijn vrij gemakkelijk weg te werken met Tipp-Ex-stiften. Als dat goed droog is, kun je er zo overheen tekenen. Bij grote vlakken plak ik ook wel etiketten. Veel is te herstellen. Je ziet er niets meer van als het gepubliceerd wordt. Het werk is niet voor aan de muur; hoe het origineel eruitziet kan me niet schelen.

Het meest trots ben ik op mijn cartoons. Omdat niemand anders cartoons maakt die realistisch getekend zijn. Ik teken geen dijenkletsers, hooguit een glimlach. Ik doe alles op intuïtie en gebruik daarbij zelden iets uit mijn eigen leven – het is allemaal verzonnen. Psychiatersituaties vind ik leuk. „Ik zou dolgraag van Herman willen scheiden, maar ik kan het die schat niet aandoen.” Of zakenmannen; als freelancer kwam ik vroeger bij opdrachtgevers, dan proefde ik die sfeer van mannen onder elkaar. „Klaas, als je het niet erg vindt zijn we vast begonnen.” De Zeurkalender 2013 zou de laatste zijn. Maar ik ben alweer bezig voor die daarna. Het blijkt dat ik het niet kan missen, dat tekenen. Nu ik die Parool-cartoons niet meer heb om te hergebruiken moet ik meer nieuwe cartoons maken. Ja, ook erotiek. Maar die komen niet in de krant, dat wil ik de mensen niet aandoen. Ik bewaar ze voor de kalender. Ik vind dat nog steeds leuk om te tekenen – maar nee, het windt mijzelf niet op. Niet meer.

Humor is ook jezelf op de hak nemen. Ouder worden hoort daar ook bij. Want alles wordt minder op mijn leeftijd. Mijn aders, een slechte nierfunctie, een hart dat niet snel genoeg klopt. Stoppen met roken is onmogelijk gebleken, maar ik sta wel twee keer per week op de loopband. En doorwerken hè. Dat houdt jong. Tot ik doodga zal ik blijven tekenen. Natuurlijk; wat zou ik anders moeten? Dan zit ik de hele dag te puzzelen. Alsjeblieft zeg.”