Iedereen kan zijn gelijk halen

Gisteren werden de koopkrachtcijfers gepresenteerd. Rampzalig, roepen critici. Maar is dat wel zo?

Politiek redacteur

Den Haag. Erg onzeker, hoogstens een eerste indicatie, onvoldoende uitgewerkt. Schijnprecisie.

Op alle mogelijke manier benadrukte de nieuwe minister van Sociale zaken Lodewijk Asscher (PvdA) gisteren dat de nieuwste koopkrachtcijfers die hij aan de Tweede Kamer stuurde weinig voorspellende waarde hebben over de precieze gevolgen van de bezuinigingen die VVD en PvdA willen uitvoeren. Zijn redenering is: alle voornemens moeten nog worden uitgewerkt in specifieke maatregelen. Als het eenmaal zo ver is en de koopkracht verslechtert meer dan het nieuwe kabinet wil, dan kan het beleid altijd nog worden aangepast.

De voorbehouden mochten niet baten. RTL4 kopte op zijn website: „Koopkracht keldert voor miljoenen Nederlanders.” De Telegraaf: „Grote groepen mensen leveren 10 procent in. RAMPZALIG.” Leiders van oppositiepartijen spraken hun afschuw uit, en rekenden voor dat 2,7 miljoen Nederlanders er over een periode van vijf jaar 5 tot 10 procent op achteruit gaan.

Zo gaat de ophef over de inkomensafhankelijke zorgpremie een nieuwe fase in. Allemaal gebaseerd op koopkrachtcijfers. Ooit werden ze ontwikkeld als beleidsinstrument voor ambtenaren en politici: met behulp van rekenmodellen kon je zo een vaag maar bruikbaar inzicht in de toekomst krijgen, en zo proberen de gekste uitschieters van voorgenomen plannen te voorkomen.

Maar in het publieke debat van de afgelopen week werd ‘de koopkracht’ van beleidsinstrument een soort lakmoesproef van goed of kwaad. Ruimte voor nuance verdween.

Dat is ook een beetje de eigen schuld van VVD en PvdA. De nieuwe coalitiepartners goten een van hun belangrijkste afspraken – de door de PvdA vurig gewenste inkomensnivellering – zelf in het keurslijf van de koopkrachtcijfers. Zo zegt VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra steeds dat er „geen grote groepen” meer dan 4 procent op achteruit mogen gaan – waarbij hij vooral refereert aan inkomens boven de 100.000 euro. De PvdA bevestigt die lezing.

Dit ‘contract’ geeft oppositiepartijen eindeloze mogelijkheden. Er zijn altijd wel mensen te vinden die meer dan 4 procent koopkracht verliezen. Sterker nog, in de CPB-cijfers doemen er 2,7 miljoen op.

Heeft de oppositie dan gelijk?

Hier zit het volgende probleem. Want Zijlstra bedoelt eigenlijk, en zo is het ook tussen VVD en PvdA afgesproken, dat de ‘mediane’ verslechtering voor inkomens boven de honderdduizend euro niet meer dan 4 procent mag zijn. Dat betekent dat sommige mensen met dat inkomen best meer dan 4 procent koopkracht mogen verliezen, als er maar genoeg mensen in diezelfde inkomensgroep tegenover staan die minder koopkracht verliezen (dat volgt uit de wiskundige definitie van de mediaan). Zijlstra gebruikt het woord ‘mediaan’ alleen niet omdat maar weinig mensen direct zullen begrijpen wat hij dan bedoelt.

Wie op die manier naar de nieuwste koopkrachtcijfers kijkt, ziet dan dat meer dan 13 miljoen mensen er minder dan vijf procent op achteruitgaan. Deze mensen zijn een contragewicht voor de 2,7 miljoen pechvogels van de oppositie en trekken de ‘mediaan’ waar de coalitie over spreekt weer richting de afgesproken maximale 4 procent.

Zo haalt iedereen zijn eigen gelijk. En verandert de discussie over de wijsheid van maatregelen in het regeerakkoord al snel in harde politieke strijd: grijpt de nieuwe coalitie harder in dan ze wil zeggen, en verdoezelt ze cijfers, of gaan oppositiepartijen op onverantwoordelijke wijze aan de haal met koopkrachtplaatjes om VVD en PvdA zo snel mogelijk te beschadigen?

    • Derk Stokmans