Hoe voelt dat?

Thomas Friedman, befaamd columnist van The New York Times, veegde al een uurtje na afloop van de Amerikaanse verkiezingen in zijn krant bekwaam de vloer aan met de Republikeinse partij. Hij herinnerde aan een citaat van senator MitchMcConnell, de leider van de Republikeinen, die in oktober 2010 in een krant had gezegd: „Het belangrijkste dat we moeten bereiken is ervoor te zorgen dat president Obama een president-van-één-termijn wordt.”

„En Mitch”, vraagt Friedman hem, „hoe voelt dat nou voor je?”

Friedman vraagt zich af waar Obama zijn zege aan te danken heeft en komt tot dit vermoeden: de meerderheid van de Amerikanen geloofde dat Obama, wat zijn fouten ook waren, zijn best deed om de kwalen van het land aan te pakken, en dat hij dat deed met een Republikeinse partij die, diep van binnen, hem niet halverwege tegemoet wilde komen, maar wilde dat hij zou falen.

McConnells woorden waren voor Friedman ‘schokkend’, gelet op alle problemen waarmee Amerika geconfronteerd wordt. Friedman noemt het vernietigend voor de Republikeinen dat Obama de verkiezingen kon winnen ondanks een werkloosheid van bijna acht procent. De Republikeinen moeten aan zelfonderzoek doen, de partij staat op voet van oorlog met veel leden van een nieuwe generatie over onderwerpen als homorechten en immigratie.

Friedman: „Het land snakt naar een praktische samenwerking tussen twee partijen, en het zal politici belonen die dit leveren en hen afstraffen die dat nalaten.”

Misschien vond ik deze woorden zo indrukwekkend omdat ze ook steeds meer op de politieke situatie in Nederland van toepassing lijken. Ik moest aan tafereeltjes denken die deze week de aandacht trokken.

Zondag hadden we Roemer en Buma op bezoek bij Buitenhof. Een nieuwe regering treedt aan en wat doen Roemer en Buma met hun verkiezingstrauma: hakken in het zand, mes tussen de tanden. De zorgmaatregel door de Eerste Kamer? Over hun lijk. Dan had de PvdA maar één blok met de SP moeten vormen, voegde Roemer er fijntjes aan toe.

Gisteren zag ik ze in een nieuwsflits op tv, de oppositieleiders, broederlijk verenigd aan één tafel onder leiding van Geert Wilders, aanvoerder van de grootste oppositiepartij. Pechtold óók, de man die Wilders ooit racistisch noemde en van wie Wilders op zijn beurt zei dat hij in zijn roze kniebroek bij de grens moest gaan staan om immigranten af te schrikken. Buma zat er natuurlijk ook, voor hem was het een gewoonte geworden, vergaderen met Wilders om hetzelfde politieke doel te bereiken. Onlangs was hij vreselijk teleurgesteld door Wilders, hij had gemerkt dat die wegvluchtte „voor zijn verantwoordelijkheid”, maar ach, je moest nooit te lang bij die dingen stilstaan.

Roemer mogen we evenmin vergeten, die was allang weer vergeten dat Wilders hem in verkiezingstijd toebeet: „U bent een watje waar het gaat om de aanpak van Marokkaans straattuig.”

Kennelijk niemand die zich afvroeg: waarom nu samenwerken met deze politieke roofridder? Want alles is beter dan een VVD-PvdA-regering. „Het belangrijkste dat we moeten bereiken is ervoor te zorgen dat premier Rutte en vicepremier Asscher een duo voor een zo kort mogelijke termijn worden.”

Heerlijk, die zorgpremies. Als Rutte en Samsom ze niet in een onvoorzichtig moment hadden voorgesteld, zou de oppositie iets anders hebben moeten bedenken. Je moet iets overhebben voor je land.