Financieel interbellum

‘Als het te goed klinkt om waar te zijn, dan is het dat meestal ook.” De afgelopen maanden heb ik me door een stapel boeken over de crisis van 2008 heen gewerkt, en deze zin keert steeds terug. Permanent gigantische winsten voor banken, met malse belastingopbrengsten voor de staatskas? Creditcards waarmee je altijd meer kunt lenen? Huizenprijzen die alleen maar omhooggaan, waardoor huizenbezitters per jaar meer verdienen aan die waardestijging dan met hun arbeid?

Als je er nu op terugkijkt, denk je: wat dachten die mensen? Dachten ze überhaupt na? Maar het is nogal makkelijk praten met the benefit of hindsight zoals ze dat in Londen mooi noemen.

Het is makkelijk praten en ook misleidend, want wat is er nou eigenlijk veranderd? Denken mensen nu wel na? Misschien, maar we gaan nog altijd akkoord met ‘leverage ratio’s’ waarbij een bank al failliet is wanneer haar activa 5 procent in waarde dalen. 5 procent! Denk eens aan al die uitstaande leningen in Griekenland, China, Brazilië? What could possibly go wrong, is de zin die Britse satirici dan gebruiken.

Leverage mag blijven bestaan en wordt hooguit een beetje bijgesteld, terwijl iedereen weet dat ‘systeembanken’ niet failliet kunnen gaan, want als er eentje omvalt, vallen ze allemaal om en heb je chaos met hoofdletter C. Intussen mogen die systeembanken hun derivaten nog steeds verhandelen ‘over the counter’, dat wil zeggen: direct tussen twee partijen zonder centrale registratie. Wanneer er straks weer een keer paniek uitbreekt, weet nog steeds niemand welke financiële speler via die derivaten welke verplichtingen op zich heeft geladen. Zo ging het bij de ‘kredietcrisis’; banken leenden elkaar niet meer, omdat ze elkaar niet vertrouwden, en de boel stortte in elkaar totdat regeringen alle schulden overnamen of garandeerden.

Wie dit op zich laat inwerken, beseft dat woede over bonussen uiteindelijk een red herring is – weer z’n mooie Engelse uitdrukking; een marginale kwestie die de aandacht afleidt van het werkelijke probleem, namelijk dat de mondiale banken op dit moment machtiger zijn dan nationale regeringen en zich niet meer laten opbreken.

Noem deze tijd het financieel interbellum, met de crisis van 2008 als Eerste Wereldoorlog. Het wachten is nu op een nieuwe, nog grotere ramp, waarna de financiële sector eindelijk wordt teruggesnoeid.

Wonend in Londen valt me op dat mensen over dit scenario opvallend laconiek zijn. We ruimen de boel wel weer op, lijken degenen te denken die in de afgrond durven staren. Het toegankelijkste boek dat ik over de crisis las was Oops! van John Lanchester. In een nawoord bij een nieuwe editie benoemt hij zijn verbijstering dat er niets wezenlijks is veranderd. Stel je voor dat een terreurorganisatie in staat was om ons financiële systeem te vernietigen, schrijft hij. Dan was het toch alle hens aan dek?

Lanchester blijft dus vrij laconiek, en zegt gewoon dat we maar moeten wachten op die nog grotere crisis. Als Europeaan van het vaste land ben ik minder optimistisch. Als er dadelijk geen geld meer uit de pinautomaten komt, of dat geld is waardeloos, wie zegt dan dat de democratie en rechtsstaat zullen overleven?

Oh ja, mocht u uw hoop op Obama hebben gevestigd: de figuren die eerder de banken in staat stelden zo groot te worden, vormen al vier jaar zijn financiële team. En als Obama straks klaar is met regeren, gaan die figuren opnieuw voor diezelfde banken werken. Nice work if you can get it, noemen Britse satirici dat.