En de dichter wil toch weer gaan acteren...

Zijn afscheid als acteur was meteen zijn debuut als dichter. In de zelfgeschreven theatersolo Geen lied (2000) was Ramsey Nasr een eigentijdse Orpheus. Hij was de verliefde, hoopvolle jongen, zijn lichaam beweeglijk als dat van een balletdanser. Maar evengoed was hij de overleden Orpheus, die doorzingt na zijn dood. Nasr speelde op toneel de zanger, troubadour; de dichter. Hij reisde door het land met zijn solo, en kort daarop verscheen de tekst in de bundel 27 gedichten en Geen Lied die direct werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Een periode van vijf jaar toneelspelen werd ermee afgesloten. Zijn carrière als schrijver kon beginnen.

En nu keert Ramsey Nasr (38) terug naar het toneel. Vorige week werd bekend dat hij per 2013 toetreedt tot het ensemble van Toneelgroep Amsterdam. Daarmee hervat hij zijn samenwerking met regisseur Ivo van Hove, die Het Zuidelijk Toneel leidde in de periode dat Nasr daar zat: van 1995 tot 2000. Nasr: „Iemand twitterde: moet de Dichter des Vaderlands nu ook alweer zo nodig acteren? Maar ik bén acteur; ik keer terug naar de basis.”

Het is wel een opmerkelijke stap, want de kersverse dichter liet zich destijds teleurgesteld uit over toneel. „Hoe beter je emoties kunt overbrengen, des te minder ze betekenen”, zei hij bijvoorbeeld.

In zijn monoloog De Doorspeler, waarmee hij afstudeerde aan de toneelopleiding van Studio Herman Teirlinck, zette Nasr al zijn vraagtekens bij het vertoon van virtuositeit op toneel. In die bekroonde theatersolo demonstreerde hij openlijk de manipulatietechnieken van een acteur, maar pakte daarmee het publiek alsnog listig in. De pers prees zijn performance.

Maar na vijf jaar spelen bij Het Zuidelijk Toneel won de desillusie. „Ik was teleurgesteld dat een emotie niet blijft na 38 keer spelen”, licht hij toe. „Maar dat kwam ook doordat we bij Het Zuidelijk Toneel een voorstelling echt kapot moesten spelen; soms zeventig avonden achter elkaar. En overdag repeteren voor de volgende. We hadden een kleine vaste spelersgroep, dus iedereen zat in elke voorstelling.” Dat zal bij Toneelgroep Amsterdam, dat met twintig acteurs veel groter is, anders zijn, denkt Nasr. „En doordat een voorstelling van TA vaak kort speelt en later weer wordt hernomen, speel je een voorstelling niet dood.”

Belangrijker is misschien ook wel dat hij nu wéét dat je een gevoel bij het spelen niet avond aan avond vers kan houden. „Er komt iets anders voor in de plaats: beheersing, souplesse en bovenal plezier. Destijds zag ik daar de waarde niet genoeg van in. Maar orkestmusici slagen er ook in om 400 keer Mahler toch nieuw te houden.”

Hij was in die periode van zijn leven erg bezig met het onderscheid tussen scheppende en uitvoerende kunstenaars, zegt hij. „Ik bracht daar hiërarchie in aan.” Hij noemde toneelspelen ‘eerder een ambacht dan een kunstvorm’. „Achteraf is dat ontzettende onzin. Echt, dat neem ik terug.”

Uiteindelijk valt de onvrede van toen eenvoudig te verklaren, zegt hij. „Ik ben altijd van toneel blijven houden, maar ik stopte ermee omdat ik schrijver wilde worden. Dat heb ik gedaan. En nu sta ik te popelen om weer te kunnen spelen.”