8 eeuwen poëzie. 7 cd's. 1 dichter

Voor de cd-box Hier komt de poëzie! koos Ramsey Nasr zo’n 350 gedichten en sprak ze in. „Veel poëzie is bedoeld om voorgedragen te worden.”

Nederland, Amsterdam, 02-11-2012 Ramsey Nasr is een Nederlandse dichter, schrijver, essayist, acteur, regisseur, librettist en vertaler. Hij was de tweede stadsdichter van Antwerpen en van 2009 tot 2012 Dichter des Vaderlands van Nederland. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

‘Hier in dit klein doch stil vertrek tracht ik alleen mijn vreugd te zoeken, daar ik mij al ’t gewoel onttrek en mij verlustig in mijn boeken, en hou de wereld voor mijn gek.’

Wie spreekt daar? Het is W.G. van Focquenbroch, geboren in 1640, die kalm het gedicht Gedachten op mijn kamer voordraagt, door de mond van Ramsey Nasr.

Nasr koos zo’n 350 gedichten uit acht eeuwen en sprak ze in op zeven cd’s, onder de titel: Hier komt de poëzie!. Dichter en acteur vallen samen in deze gedurfde onderneming.

De box Onder de Groene Linde, bij mensen thuis opgenomen historische Nederlandse liedjes, samengesteld door Ate Doornbosch, ligt bij de 38-jarige dichter op tafel. Dat was wel een inspiratiebron, zegt hij. Verzamelen tegen de vergetelheid, dat is ook zijn drijfveer.

Redenen te over heeft hij om zoveel gedichten te willen laten horen. Zorgen dat de dichters die hem ooit de poëzie introkken, zoals Leopold en Boutens, niet vergeten raken. Gedichten een stem geven om een nieuwe generatie aan te spreken en te stimuleren poëzie te gaan lezen. En lezers die hun dichters al door en door kennen een ervaring gunnen. „Ze het gevoel geven dat ze niet gek zijn omdat ze van poëzie houden.”

Als Dichter des Vaderlands heeft Nasr tijdens zijn termijn van bijna vier jaar voortdurend gepiekerd hoe hij een ambassadeur van de poëzie kon zijn. Hoe hij poëzie kon overbrengen zonder op zijn hurken te gaan zitten. En zonder, wat hij niettemin geprobeerd heeft, naar De Wereld Draait Door te gaan en te vragen: kan ik bij jullie een poëzierubriek krijgen?

Nasr, die volgend jaar fulltime in dienst treedt als acteur bij Toneelgroep Amsterdam, merkte dat de voordracht van een gedicht veel kan betekenen. Als beginnend dichter en acteur werd hij al snel gevraagd om voor te dragen. Het viel me op dat voordragen niet heel moeilijk is, zegt hij. De voordracht schuilt al in het gedicht. Het wijst zichzelf. Als een gedicht te boek staat als heel lastig dan kan een voordracht een schijn van verstaanbaarheid creëren.

Innerlijke stem

Hij stelt de vraag zelf: is alle poëzie bedoeld om voor te lezen? Nee, antwoordt hij, maar er is ook als je in stilte leest altijd een innerlijke stem die probeert voor te dragen aan jezelf. Hij ontkent niet dat veel poëzie beter werkt als letters op papier.

Toch hoor ik zo vaak, zegt Nasr, dat mensen zeggen: als ik een gedicht lees kom ik er niet uit, maar als ik het hoor is het vanzelfsprekend. Een goed voorbeeld is zijn eigen gedicht Mi have a droom. Helemaal geschreven in straattaal, lastig te ontcijferen. Als hij het voordraagt, dan denken mensen dat hij een dialect spreekt. Op scholen kijken ze naar het clipje dat hij van het gedicht maakte om het in de klas over poëzie te kunnen hebben. De clip dient als aanknopingspunt. Als teken dat poëzie niet oud en stoffig is. En scholieren zeggen dan: we wisten niet dat dit ook poëzie kon zijn.

‘O als ik dood zal, dood zal zijn.’ Beroemde regel van Leopold. Dat is gewoon lekker om te zeggen. „Die regel uitspreken is net zo ontroerend als in stilte lezen.” Tien jaar geleden had hij het niet durven zeggen, stelt hij, maar nu wel: „Ja! Veel poëzie is óók bedoeld om voorgedragen te worden.” Door een dichter, door je lief.

In zijn keuze legt hij ook contact met dichters die je totaal niet kent, zegt Nasr. Aan volledigheidsmanie leed hij. Vestdijk, dan ook De Merode. Iemand zei: heb je Richard Minne er nog niet bij? En Maurice Gilliams? Karel Jonckheere bleek hem onverwachts fantastisch.

Hij roemt bloemlezingen. Bij die van Victor van Vriesland las hij voor het eerst Gedachten op mijn kamer van Focquenbroch. „Een van de mooiste gedichten ooit geschreven.” Alle opsmuk van andere zeventiende-eeuwers ontbreekt bij deze dichter. De taal is direct, richting Du Perron, zegt hij, en het gedicht gaat absoluut over nu. IJdelheid en memento mori worden nergens in die eeuw zo to the point, helder en Hollands beschreven. Dat greep hem aan. Focquenbroch betrekt de emoties op zichzelf. Daar heeft hij een zwak voor.

Eerlijk gezegd kan het werk van Hooft en Vondel hem maar moeilijk bekoren. Bij hen is kunstigheid tot kunst verheven. „Ik zie het somber in voor sommige dichters”, zegt hij. En lacht dan klaterend als hij merkt hoe onbedoeld plechtig dat klinkt. Alsof hij zegt: ik heb mijn best gedaan!

Hij meent het helaas wel. Hooft en Vondel zijn vaak alleen nog via de voetnoten te ontrafelen. De taal is wezenlijk anders. Er is bij die twee nauwelijks het genoegen van een eerste aanraking, van kleur, er is geen direct contact zoals bij schilders mogelijk is. En bij Focquenbroch.

Het gedicht doorgronden is geen voorwaarde om het goed te kunnen voorlezen, meent hij. Nee. Je moet het ook aanvoelen – vreselijk woord. Een gedicht van Van Ostaijen dat hij nog niet kende, Berceuse presque nègre, leek hem een slaapliedje. „Ik hoorde gezang.” Hij heeft het gezongen. Daar zal ik wel op afgerekend worden, vreest hij. Maar hij is zijn eigen gang gegaan.

Bij Oote oote boe is de verleiding groot om gek te doen, bijna als een kind te gaan voordragen, zegt Nasr. Maar zijn stijl vindt hij vrij sec. Waar je niet aan ontkomt, is interpreteren. Voordragen is altijd interpreteren.

Nasr leest voor. Lucebert en zijn heer horror. ‘Hij pienkt aan de ladies. Hij pienkt aan de poem.’ Het spijt hem, maar dat vat hij niet. Maar ook als je het niet begrijpt, is het gedicht mooi, geestig, duister, lieflijk. En door het vaak te lezen, kan hij het zich toch eigen maken.

Middeleeuwse uitspraak

Hij heeft veel hulp gevraagd, zoals van mediëvist Herman Pleij. Die zei hem dat er veel vrijheid is bij de uitspraak van middeleeuwse gedichten. Ghi mag als gi en gij. Du? Mag als doe of duu. Middeleeuwers variëren zelf met die klanken, zelfs binnen het gedicht, om hun punt te kunnen maken.

Boutens verslond hij als toneelstudent. Hij dweepte met hem. Van zijn debuut 27 gedichten en geen lied druipt de stem van Boutens. Bij het herlezen was de magie onvindbaar. „Ik was aan het zoeken: wanneer komt het nou, welke bundel was het? Ik moest toegeven: het is verdwenen.”

Maar dat betekent juist dat hij die dichter wil koesteren. Boutens was ooit belangrijk voor hem. En hij wenst dat die gedichten nu iemand anders aangrijpen. Zijn debuut heet inmiddels 19 gedichten en een lied. „Ik heb er acht weggehaald, want ik wilde soms nog iemand nadoen.”

Wat is mooi bij Leopold en Gorter? Dat is een zekere deftige tederheid, een belezen kwetsbaarheid, zegt hij. „Ze staan in een tijd van meneren die mij heel diep raakt. Van meneren en mevrouwen die in een eigen zielenwereld leven, waarbij alles kloppend is gemaakt.” Hun poëzie is makkelijk te bespotten, denkt hij. Maar hij had nood aan vormvastheid, aan archaïsme gepaard aan emoties, aan mannen met snorren die hun emoties toonden. Toen. Zijn eerste bundel is een liefdesbetuiging aan die stijl.

Elke cd van Hier komt de poëzie! moet een tijdsbeeld scheppen. „Als Lodeizen beschrijft dat hij naar jazz luistert of in New York Central Park loopt, dan zie ik Remco Campert dat doen.” Op die manier.

Gedichten helpen Nasr zijn land beter te begrijpen. „Uit die 350 gedichten krijg ik meer inzicht in de identiteit van Nederland dan door naar politieke discussies te luisteren.” Een gedicht van Revius doet hem aanvoelen wat calvinisme voor een mens betekent.

De dichter Jacob Westerbaen, ook zeventiende eeuw, noemt hij een ontdekking. Westerbaen schrijft direct, ook over erotiek. Heel mooi, zegt Nasr voor de zoveelste keer. Dat gaat vanzelf bij hem, want hij is vol omzichtige liefde over al die rare, kwetsbare dichters.

Is het de persoonlijke toon die hem treft bij Westerbaen? Misschien wel. Als hij ergens naar gezocht heeft dan is het naar iets puurs en ongeschondens, zegt hij. „Ik raak ontroerd door het idee dat iemand eeuwen na dato iets aan mij vertelt.”