Woest won van keurig

Een boek en een expositie in Tresoar in Leeuwarden geven een andere kijk op het fameuze park in Vestdijks roman De koperen tuin.

Schets voor de koepel in de Prinsentuin door Roodbaard (1842).

Een dalkrater, slingerende wegen en zelfs een ‘geitenpaadje tussen woest en moedwillig stekelende rotspunten’: deze kwalificaties komen we tegen in de befaamde roman De koperen tuin (1950) van Simon Vestdijk. Het ‘koper’ uit de titel slaat zowel op de koperkleurige bomen die in de herfst in de Prinsentuin van Leeuwarden staan als de koperblazers die er klinken in de muziektent. De auteur noemt de stad ‘W...’, maar iedereen weet dat het over de Friese hoofdstad Leeuwarden gaat. Tot op de dag van vandaag bevindt zich in het wandelpark aan de noordzijde van de binnenstad het etablissement De Koperen Tuin.

Een boek, gelijktijdig verschenen met een expositie in Tresoar, het Fries Historisch en Letterkundig centrum, in Leeuwarden, geeft een andere kijk op Vestdijks fameuze tuin. Boek en tentoonstelling, getiteld Roodbaards RijkdomLandschapsparken Noord-Nederland 1800-1850, belichten de negentiende eeuwse hovenier, portretschilder, tuin- en landschapsarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). Hij was, in 1820, verantwoordelijk voor de grillige aanleg van de Prinsentuin waar Vestdijk zijn inspiratie opdeed.

Landschapsarchitect Els van der Laan-Meijer en architectuurhistoricus Willemieke Ottens geven op grond van nooit eerder onderzocht archiefmateriaal een overzicht van de tientallen adellijke buitenplaatsen, stedelijke wandelparken en aristocratische tuinen die ontworpen zijn door Roodbaard. Deze zoon van een hovenier werd geboren in Assen en bracht een groot deel van zijn leven in Leeuwarden door. Hij gaf met behulp van slingerende wandelpaden, verre zichtlijnen en vloeiende vijverpartijen het noordelijke, vlakke Nederlandse landschap een nieuwe dimensie. Hij veranderde de formele Franse tuinmode met geometrische lijnen en strakke vormen in een romantische tuinaanleg met houten bruggen, on-Hollandse glooiingen en dramatische licht- en donkerpartijen. Dit volgens Engelse opvattingen, waarin de wildernis en het woeste het winnen van het keurig rechte. In Roodbaards tijd kwamen wandelparken in zwang. Zijn ontwerpen speelden daar subtiel, soms zelfs frivool op in. In Leeuwarden en tal van andere steden werden de scherpe, bakstenen hoeken van de bolwerken, de verdedigingswerken, gesloopt. Daarvoor in de plaats kwamen parken ter verpozing.

Op de vloer van het Tresoar is een replica van een reusachtige kaart van de drie noordelijke provincies uit de negentiende eeuw neergelegd. De bezoeker kan eroverheen lopen en de 147 gemarkeerde tuinen van Roodbaard terugvinden. Nu alle landschapsparken en tuinen zo nauwkeurig zijn getraceerd, valt op dat het grootste deel ervan aan de zuidkant van het zeekleigebied ligt, op de overgang naar veen en zand, ongeveer evenwijdig aan de Waddenkust. Feitelijk is het een uitgestrekte lustwarande, misschien een toekomstige Roodbaard Route, lopend van de Engelse Tuin in het bolwerk van Harlingen in het uiterste westen tot Huis te Wedde in het oostelijke Winschoten.

Architect Roodbaard uitte zich niet alleen in groots aangelegde tuinen, ook was hij een begenadigd tekenaar. In Tresoar kun je ontwerpschetsen en presentaties zien, uitgevoerd in dezelfde vloeiende vormen als de tuinen. Het lijken abstracte kunstwerken. Het boek is een hommage aan Roodbaard. Het is verrassend te lezen dat Roodbaard in de toelichting bij zijn ontwerpen schrijft over „wilde kastanjes” en schakeringen van „licht en donker”, waarmee hij park en tuin verrijkte. Net als bij Vestdijks Koperen Tuin, dwaal je na het lezen met een andere blik door het stadssieraad van Leeuwarden.

E. Van der Laan-Meijer en W. Ottens: Roodbaards Rijkdom. Uitg. Bonas Tresoar, Boterhoek, Leeuwarden. T/m 19/1. Inl: tresoar.nl