Verdwaald in Kubricks doolhof

Waar gaat de horrorfilm The Shining (1980) van Stanley Kubrick nu werkelijk over? In de documentaire Room 237 van Rodney Ascher blijkt dat iedereen zijn eigen film kan zien.

The Shining Year: 1980 Director: Stanley Kubrick Jack Nicholson Based upon Stephen King's book Photos12

U dacht dat Stanley Kubricks horrorfilm The Shining (1980) gaat over de labiele schrijver Jack Torrance die als winterconciërge van het verlaten Overlook Hotel onder het roepen van „heeeere’s Johnny!” vrouw en zoon met bijl te lijf gaat? Over een gezin dat door ‘cabin fever’ uiteen valt?

Welnee. Het gaat over de nepmaanlanding die Kubrick in 1968 in opdracht van de NASA filmde terwijl hij 2001: A Space Odyssey maakte. Apollo 11, Neil Armstrong en zijn „grote stap voor de mensheid”? Allemaal nep, een ordinaire acteur in een studio. Kubrick kreeg later spijt van zijn bedrog, maar liep gevaar als hij het geheim verklapte. Dus stopte hij The Shining vol cryptische aanwijzingen.

Begrijp je dat eenmaal, dan valt alles op zijn plaats. De gevaarlijke kamer 237 in The Shining staat symbool voor die nepmaanlanding, het geheim dat Jack – alter ego van Kubrick – voor zijn vrouw verbergt. De lugubere tweelingszusjes die zoon Danny kwellen? Het Gemini (tweeling)-project dat aan de Apolloraketten vooraf ging. Is het soms toeval dat Danny een gebreide trui met Apollo 11 draagt als hij kamer 237 in wordt gelokt? Waarom kamer 237? Helder, de afstand van aarde tot maan is 237.000 mijl! (Oké, bijna 239.000 mijl, maar dat mag de pret niet drukken). En typt Jack Torrance steeds opnieuw ‘all work and no play makes Jack a dull boy’? Of staat er: ‘A11 work and no play’? A11, ofwel Apollo 11?

Diepere lagen

Dit zijn slechts een paar aanwijzingen die Jay Weidner vond toen hij begreep waarover The Shining echt ging. Hij is niet de enige die verborgen lagen vond, zo blijkt uit de documentaire Room 237 van Rodney Ascher. Vijf fanatieke ‘Shining-heads’ voeren het woord: hoogopgeleide complotdenkers die elke scène, elk rekwisiet, elk beeld onder de loep leggen om hun these te bewijzen. Zo weet de één – journalist Bill Blakemore – dat het eigenlijk gaat over de genocide op indianen: het Overlook Hotel is het Witte Huis. Geoffrey Cocks denkt dat Kubrick het eigenlijk heeft over de Holocaust. Jack Torrance is Hitler! Let op dat cijfer 42 dat overal terugkomt: 1942 is het jaar waarin de nazi’s de ‘Endlösung der Judenfrage’ formuleerden. En werkt Jack niet op een Duitse typmachine van het merk Adler?

Welnee, de film spiegelt zichzelf, weet John Fell Ryan, die inzicht zoekt door hem tegelijk voor- en achteruit af te spelen en over elkaar heen te projecteren. Judi Kearns speurt naar subliminale reclametechnieken en maakt plattegronden van het hotel. Conclusie: zoontje Danny dendert met zijn driewieler door een Escherachtig doolhof vol onmogelijke gangen en ramen. Jack is de Minotaurus.

Elke filmcriticus kent wel dat Eurekamoment als hij een film definitief ontcijfert heeft. Zo wist ik ooit volstrekt zeker dat een film eigenlijk over Jonas en de walvis ging - waarna de regisseur me nieuwsgierig vroeg wie Jonas dan wel was. Een beetje filmmaker schept dan ook ruimte voor interpretatie. Is de film eenmaal gemonteerd, dan is hij van de kijker. Ontwaart die subteksten en diepe lagen die de regisseur zelf ontgingen: des te beter.

Bodemloos mysterie

Stanley Kubrick (1928-1999) was er bij uitstek van overtuigd dat uitleg de artistieke rijkdom van zijn films slechts beperkte. Hij wilde soms wel praten over hoe, maar zelden over waarom. Zeker niet ten tijde van The Shining: na het floppen van Barry Lyndon in 1975 trok hij zich terug uit de openbaarheid. Weduwe Christiane en zwager Jan Harlan vertelden onlangs in Amsterdam hoe pijnlijk de resulterende mystificaties over ‘kluizenaar’ Kubrick waren. Maar hij maakte het er ook wel naar. Met zijn hermetische meesterwerken – Dr. Strangelove, 2001, A Clockwork Orange – had hij onder intellectuelen een hoogpriesterlijke status. Zijn koele, heldere stijl maakte zijn werk extra ongrijpbaar. Je ziet alles, dus waarom begrijp je niet alles?

Kubrick gold als een een control freak bij wie toeval niet bestond. Elk shot, kleur of rekwisiet zou beredeneerd zijn. En dan wordt elke continuïteitsfout ook veelbetekenend, hoewel juist Kubricks films die wellicht meer dan gemiddeld bevatten. Want behalve control freak was hij een sloddervos die elke scène op 40 tot 80 manieren opnam om achteraf in de montagekamer de vrije hand te hebben. Filmen werd een uitputtingsslag, en dat vergrootte de kans dat een afgematte scripgirl in de theepauze na take 60 even een stoel van de set pakt en vergat terug te zetten. Waarna de Kubrick-exegeet in die verdwenen stoel een signaal van de meester vermoedt.

Dat binnen zijn oeuvre juist The Shining object werd van intense speculatie, is nauwelijks toeval. Waarschijnlijk ging The Shining in Kubricks ogen over verdrongen trauma’s van een gezin - alcoholisme, kindermishandeling - die zich in de leegte van het Overlook Hotel in zinsbegoochelingen manifesteren. Tot woede van horrorschrijver Stephen King van The Shining overigens, die het Overlook Hotel zag als een kwaadaardig monster dat Jack overweldigt. Met co-scenarist Diane Johnson bestudeerde Kubrick vooraf Freuds’ essay over ‘Das Unheimliche’. Freud stelde vast welke beelden en situaties onbehagen wekken, en meende dat die emotie voortkomt uit half verdrongen bijgeloof en trauma’s. Dat nare gevoel dat iets bekends niet helemaal klopt, is volgens Freud tevens de enige emotie die je in kunst heftiger beleeft dan in het echt. Dus stopt Kubrick zijn film vol onbehaaglijke details: verre muziek, lange, lege gangen, doolhoven, dubbelgangers, patronen, spiegelbeelden.

Verdrongen trauma’s

De nadruk op het onderhuidse en indirecte geeft details in The Shining extra lading. Is het soms toeval de directeur van het Overlook Hotel zo naast het bureau staat dat een presse-papier een stijve penis lijkt? Misschien wel, misschien niet. En hoeveel dwaalsporen heeft de sardonische Kubrick met opzet uitgezet? Ten tijde van The Shining wist hij van de speculatie over ‘zijn’ maanlanding: laat hij daarom Danny een Apollo 11-trui dragen?

Documentairemaker Rodney Ascher laat vijf Shining-fanaten in Room 237 leeglopen. Hun gezichten zien we nooit: Ascher versterkt of ondergraaft hun betoog liever met beeldrijm of scènes uit The Shining. Soms sterft een stem bijna weg in de soundtrack. Zo brengt Ascher ons in hun obsessieve, dromerige denkwereld en zie je op hoeveel manieren we een film kunnen zien, en dat een complottheorie ook een soort kunstwerk is. Maar had Ascher de logica van zijn sprekers gevolgd in plaats van die te ondergraven, dan had hij ons dieper in Kubricks doolhof gelokt. Een gevaarlijke plek. Een van de deelnemers (bewoners?) van Room 237 bekent dat hij door zijn Shining-obsessie op Jack Torrance begint te lijken. „Ik ben werkloos, heb een zoontje en denk erover me uit de wereld terug te trekken.”