Punkiconen met dreadlocks tot op de heupen

De geschiedenis van punkmuziek moest worden herschreven toen de band Death bijna vijfendertig jaar te laat werd ontdekt door fanaten.

Punkpioniers uit Detroit: de peetvaders van de punk waren zwart. Een band genaamd Death.

Er waren eens drie broers uit Detroit: David, Bobby en Dannis Hackney. Elke middag tussen drie en zes mochten ze van moederlief de bedden in hun slaapkamer aan de kant schuiven, versterkers en drums neerzetten, en vervolgens de hele buurt wegblazen. Maar hoe goed ze ook werden, een platencontract zouden ze nooit krijgen. Van ellende persten ze in 1976 hun eigen singletje - dat ze aan de straatstenen niet kwijtraakten. En dat was het dan. Dat was het verhaal van een band die Death heette.

Tot bijna vijfendertig jaar later. Want toen werd de band plotseling wakker gekust door punkfanaten die in hun mateloze verzameldrift honderden dollars voor het plaatje gingen bieden. Death werd postuum uitgeroepen tot pionier van het genre. „This band was punk before punk was punk”, jubelde The New York Times. Dat de muziekgeschiedenis rigoureus werd herschreven was niet het enige opzienbarende. Want er was nog iets. De peetvaders van de punk waren namelijk zwart.

Het is even wennen om in een stel schaterlachende vijftigers met dreadlocks tot op de heupen nieuwe punkiconen te zien. Maar wie de broers bezig ziet en hoort in de documentaire A Band Called Death moet toegeven: het is een verademing.

Een documentaire over een band die drie decennia te laat is ontdekt kampt uiteraard met een schreeuwend gebrek aan bewegend beeld. Regisseurs Mark Covino en Jeff Howlett trekken daarom hun trukendoos open en verknippen alle spaarzame foto’s tot een soort bewegende 3D-kijkdoos. Steekt een van de broers ergens op zo’n kiekje een sigaret op, dan stijgt er echte rook op van het plaatje. Je moet wat.

De beelden uit het heden maken gelukkig veel goed, bijvoorbeeld als zanger-bassist Bobby huilend toekijkt hoe zijn eigen zonen Bobby Jr., Julian en Urian in hun eigen punkband Death-nummers coveren en zo de familie-erfenis nieuw leven inblazen. Maar het moet gezegd: voor een punkfilm stromen er erg veel tranen.

Het doet niets af aan het prachtige verhaal dat begon met een gelukje. Van het smartengeld dat hun moeder overhield aan een botsing mochten haar zonen instrumenten kopen. Aanvankelijk hadden die geen idee wat ze moesten spelen, zoals ook bleek uit hun eerste bandnaam: Rock Fire Funk Express. Maar nadat de broers The Who en Alice Cooper zagen optreden, wisten ze het zeker. Voortaan zouden ze „pure rock ’n roll” maken.

Dat al hun vrienden destijds dansten op disco van Earth Wind & Fire en dus van Death niets begrepen, boeide niet. Zelfs het feit dat de door David bedachte bandnaam garant stond voor commerciële zelfmoord, leek hen niet te deren.

De naam zou Death uiteindelijk ook opbreken. Ze namen weliswaar de elpee Death… For The Whole World To See op, maar alvorens die uit te brengen eiste de platenbons een naamsverandering. Bobby en Dannis mompelden „oké”, maar David weigerde hartstochtelijk – en hoe punk! – met de woorden: „Hell no!”

Daarmee brak de vergetelheid aan. Dannis en Bobby gingen verder in een reggaeband, David raakte aan de drank en stierf in 2000 aan longkanker. Voor zijn dood gaf hij de mastertape van de plaat aan Bobby met de woorden: „Op een dag zal de wereld er naar zoeken.”

In 2009 zou de plaat inderdaad verschijnen. Sindsdien treedt Death ook weer op, met een andere gitarist. De tragiek, treuren de broers, is dat David te laat gelijk heeft gekregen. „Wij zeiden altijd dat hij een dromer was, maar wij maken het nu mee. Het lijkt net een film. En tegen wil en dank zijn wij de sterren.”

17 november treedt Death op in De Melkweg