President en gezin wonen boven de zaak

Toen de Amerikaanse journalist Michael Lewis dit jaar zes maanden met president Obama mocht meelopen voor een artikel voor het tijdschrift Vanity Fair, vroeg hij of Obama hem zijn favoriete plaats in het Witte Huis wilde laten zien. Beneden zijn ontvangstruimtes en worden rondleidingen gehouden voor toeristen. In de West Wing zijn de kantoren van de president en zijn medewerkers, in de East Wing die van de First Lady en haar staf. Obama nam Lewis in zijn privélift mee naar boven.

Een Amerikaanse president woont boven de zaak, en in de privévertrekken komen journalisten eigenlijk nooit. „In de lift naar boven leek Obama een klein beetje gespannen, alsof hij voor het eerst overwoog wat het effect op de politieke verhoudingen in zijn gezin zou zijn als hij onaangekondigd een vreemdeling mee naar huis nam. We stapten een grote hal binnen, zo lang als een half voetbalveld, die in gebruik leek te zijn als zitkamer. De ruimte is belachelijk onpersoonlijk, maar voelt toch knus vergeleken bij de rest van het Witte Huis. Michelle was in Alabama, maar Obama’s schoonmoeder zat in een diepe, zachte stoel te lezen. Nieuwsgierig keek ze op, ze verwachtte geen bezoek.”

Als Lewis zich excuseert dat hij haar huis binnenvalt, zegt ze lachend: „Het is zijn huis.” Obama troont de journalist mee langs zijn studeerkamer, naar een ovale, gele kamer. Hij maakte de openslaande deuren open en stapt naar buiten, op het Truman Balkon , met zijn fraaie uitzicht op de South Lawn. „Dit is de beste plek van het hele Witte Huis”, zegt de president, terwijl Lewis en hij uitkijken op het Washington Monument, de grote obelisk. Het balkon, waar kleurige planten in potten staan, oogt als een zitkamer buiten. „Hier komen Michelle en ik ’s avonds”, zegt Obama, „om alleen maar te zitten. Hier kom je het dichtst bij het gevoel dat je buiten bent. Dat je buiten de glazen stolp bent.”

Na George Washington (1789-1797), die presidentiële residenties had in New York en Philadelphia, heeft iedere president in het Witte Huis gewoond. Aanvankelijk werd het op kaarten „het presidentiële paleis” genoemd, maar dat klonk te veel naar de monarchale tradities waar de jonge republiek zich juist tegen wilde afzetten. De naam Witte Huis kwam al snel in zwang, maar werd pas onder president Theodore Roosevelt (1901-1909) de officiële benaming.

Het ontwerp komt van de Iers-Amerikaanse architect James Hoban, die de prijsvraag had gewonnen die voor de bouw van de presidentiële ambtswoning was uitgeschreven. In de Oorlog van 1812 werd het gebouw in brand gestoken door het Britse leger, waarop president James Madison en zijn gezin moesten vluchten. Pas zijn opvolger James Monroe kon het huis, dat inmiddels hersteld en uitgebreid was, weer betrekken. Sindsdien zijn er complete etages en vleugels aan het Witte Huis toegevoegd. Onder president Franklin Delano Roosevelt, die van een rolstoel gebruik moest maken, werd het Witte Huis het eerste officiële gebouw in Washington dat voor rolstoelgebruikers toegankelijk was.