over kunst, KGB en goede doelen

Documentairefestival IDFA bestaat 25 jaar. Groot, informeel en wars van glamour, maakte het IDFA school en revitaliseerde de Nederlandse documentaire – die nu wegbezuinigd dreigt te worden.

Van een bioscoop die niet meer bestaat gaat altijd grote weemoed uit. Alfa heette het meerdere zalen tellende filmtheater in het Hirschgebouw aan het Amsterdamse Leidseplein, waar het International Documentary Filmfestival Amsterdam, kortweg IDFA, in 1988 begon. Het was enorm dringen op de nauwe trappen. Maar de duizenden bezoekers hadden het er graag voor over. Want waar zag je in een paar dagen zoveel documentaires, een stiefmoederlijk bedeeld filmgenre dat de bioscoop hoogst zelden haalde?

Nu, 25 jaar later, moet het aantal bezoekers van IDFA in honderdduizenden worden uitgedrukt. Het hele festival is binnen het centrum van Amsterdam verhuisd van de omgeving van het Leidseplein naar die van het Rembrandtsplein, omdat op de oude locatie veel bioscoopzalen verdwenen. Voor de gezelligheid van café de Balie is die van café Schiller gekomen.

De schaal is groter geworden, maar verder is aan de opzet en de aantrekkingskracht van het IDFA weinig veranderd. Nog altijd is IDFA het grootste festival voor documentaire film ter wereld, ook al zijn er – mede door het Amsterdamse voorbeeld – in de wereld nieuwe bijgekomen.

Want wat wel is veranderd, is het mondiale klimaat voor documentaire film. Ofschoon dat moeilijk met cijfers aantoonbaar is, heeft IDFA hier een belangrijke rol gespeeld. De documentaire, en dan in het bijzonder de zogeheten ‘creatieve’ documentaire die IDFA steeds hoog in het vaandel had staan, is van een zeldzaam, soms als ouderwets beschouwd genre in die 25 jaar tot nieuwe bloei gekomen.

Polsslag van de tijd

De kracht van het IDFA was – zo bleek al meteen in 1988 – dat documentaires ergens over gaan, zodat een documentair festival niet alleen aantrekkelijk is voor filmliefhebbers, maar ook voor degenen die de polsslag van de tijd willen voelen. Die combinatie werkt als een publieksmagneet. Je ziet het elk jaar terug bij de prijsuitreiking: de vakjury’s geven hun prijzen het liefst aan films met een zeker kunstzinnig gehalte, terwijl in de top-100 van het publiek vooral films hoog scoren die voor een goede zaak pleiten.

Het thema van die eerste aflevering was de Sovjet-Unie. De perestrojka onder Gorbatsjov was net een jaartje bezig. Tijdens een forumdiscussie met de Russische delegatie, die uit zeer zwijgzame filmmakers en zeer spraakzame KGB-agenten bestond, deden de laatsten een poging de discussieleider de mond te snoeren omdat kritische vragen hun niet aanstonden. Zij wendden zich tot het Nederlandse publiek: of die zich ook niet stoorden aan de ‘negatieve’ strekking van de gestelde vragen. Omdat je destijds in Nederland nog filmmakers en anderen had die wel sympathie hadden voor het Sovjet-systeem, kregen zij luide bijval. Anderen in de zaal doorzagen echter het streven naar censuur en er ontspon zich een langdurige shouting match, op het randje van handgemeen. Het was, kortom, een buitengewoon geslaagde avond en beloofde veel voor de toekomst: documentaire was ook reuring.

Dronken weduwe

Die eerste jaren waren vaker spannend en onoverzichtelijk. De grote prijs van IDFA was toen nog genoemd naar de Nederlandse communistische filmmaker Joris Ivens. Voorwaarde voor het gebruik van zijn naam was dat Ivens’ weduwe Marceline Loridan de prijs mocht uitreiken. Zij had, voor de gelegenheid uit Parijs overgekomen, de gewoonte zich vóór de plechtigheid stevig te bedrinken en te blowen – wat allemaal niet zo’n probleem zou zijn als ze er niet elk jaar op stond een toespraak te houden. Zodat de uitreiking ieder jaar uitmondde in het wonderlijk spektakel van een frêle oud vrouwtje dat zo’n tien minuten lang moest worden opgevangen wanneer zij omviel of van het podium dreigde te donderen, snikkend onsamenhangende dingen zeggend.

Echt een probleem was het niet: IDFA wordt altijd door een informele sfeer gekenmerkt. Ook al zou je willen proberen om het festival meer glamoureus te maken, met een rode loper voor premières en een prijsuitreiking in gala – er is geen beginnen aan. Documentairepubliek is niet gevoelig voor zulke fratsen: de films gaan ergens over en schone schijn, dat doen ze maar elders. Het heeft er ook mee te maken dat documentaire film een bij uitstek democratisch medium is. De gemiddelde speelfilm kost al vlug een paar miljoen, maar voor anderhalve ton kun je een hele mooie documentaire maken.

Dit nog afgezien van de ieder jaar weer uit het niets opduikende genieën die, gebruikmakend van de snel voortgeschreden videotechniek, voor een paar tientjes of iets meer aan spaargeld een meesterwerk blijken te hebben vervaardigd. Of niet natuurlijk: onder de honderden films zijn er ook ieder jaar weer die absoluut de toets der kritiek niet kunnen doorstaan of tenminste tot veel discussie aanleiding geven. Dat komt de gezelligheid in het café na afloop natuurlijk zeer ten goede. Dat Ally die film heeft doorgelaten!

Ally Derks

Wie IDFA zegt, zegt namelijk ‘Ally’. Ally Derks heeft, na een paar eerdere filmmanifestaties in Utrecht, het festival namelijk in 1988 met een paar vriendinnen opgericht en is al die jaren directeur gebleven. Ze is, naar verluidt, ook absoluut niet van plan binnen afzienbare tijd terug te treden. Dat doet een ijzeren hand vermoeden, maar die is er niet. Haar wapen is een bijna onwaarschijnlijke hardnekkigheid, in combinatie met een grote ruimhartigheid. Ben je eenmaal haar vriend, dan blijf je haar vriend levenslang. En dat ben je al vlug: haar hart is groot, zeer groot, en haar eigen loyaliteit aan mensen nog groter.

Natuurlijk is er door de jaren heen ook altijd veel kritiek geweest op Ally Derks. Haar eigen, vooral intuïtieve selectie van films en mensen vond soms weinig genade in de ogen van meer academische filmkenners of ernstige filmcritici, van wie er in Nederland niet weinig zijn. Enkele jaren heeft er zelfs een alternatief klein festival tegelijkertijd met IDFA bestaan, van ontevredenen die het artistiek gehalte van IDFA niet hoog genoeg vonden. Het is spoorloos verdwenen. Ally besteedt aan theoretische discussies niet overdreven veel aandacht, en stoomt gewoon door. En kritiek verschrompelt ook meestal in het licht van de overdaad van honderden films, waarin iedereen wel iets vindt waarvan hij helemaal van de sokken raakt, of zich buitensporig ergert.

Die mentaliteit van onstuimig doordrammen heeft ook sterk bijgedragen aan het internationaal aanzien van IDFA. Internationale documentairecracks als Frederick Wiseman of Werner Herzog zagen in de beginjaren meteen dat dit festival iets bood wat destijds nergens ter wereld bestond: de mogelijkheid om een documentaire in een echte, grote bioscoopzaal te vertonen, voor een gemotiveerd publiek dat na afloop klapt en over de film wil praten.

Dit effect is na al die jaren niet verdwenen. Wereldwijd worden de meeste documentaires in samenwerking met, of voor televisie gemaakt. En dus staat er opeens een geheel verblufte Amerikaan, Koreaan, Argentijn of wat dan ook in het voetlicht van de prachtige zaal van Tuschinski 1, euforisch over deze voor hem ongekende theatersensatie.

Schaduw over feest

IDFA heeft in 25 jaar wel concurrentie gekregen. De herwaardering van het genre documentaire, waartoe IDFA zelf heeft bijgedragen, heeft ervoor gezorgd dat veel festivals in de wereld het genre hebben (her-)ontdekt en een volwaardige plek in hun programmering hebben gegeven: Berlijn, Sundance, New York, Venetië, Toronto en vele andere. Dat maakt het voor IDFA steeds moeilijker internationale premières naar Amsterdam te halen. Dat IDFA nog steeds een internationale speler van betekenis is, hangt vooral samen met parallelle activiteiten als de co-financieringsmarkt Forum en de filmbeurs Docs for sale, die professionals uit de hele wereld aantrekken.

Enorm is de invloed van IDFA op de Nederlandse documentaire. Op zich is dat merkwaardig. Heel lang heeft Ally Derks namelijk de kritiek weerstaan dat een festival in Nederland toch vooral een festival voor Nederlandse documentaires zou moeten zijn. Nederlandse filmmakers, was haar redenering, moesten zich maar bewijzen in het internationale veld en daar de concurrentie mee aangaan. IDFA als platform voor het vaderlands product, dat was haar te benauwd. Pas de laatste jaren kent IDFA een aparte competitie voor Nederlandse films.

De invloed van het IDFA op de Nederlandse documentaire ligt elders. Generaties jonge filmmakers konden in Amsterdam zien wat je allemaal niet kon doen met de ‘creatieve’ documentaire. Want seriematige producten van Discovery en National Geographic, of uitleggerige archiefcompilaties van Arte of ZDF kwamen er bij haar niet in. Documentaires moesten van een bijzondere, persoonlijke benadering en van een zekere kunstzinnigheid getuigen. Dat hebben de jonge filmmakers goed in de oren geknoopt: er is in Nederland een rijke cultuur ontstaan van bijzondere documentaires, die internationaal ook erkenning vindt.

Dat dit alles binnenkort tot het verleden dreigt te behoren, is de enige schaduw over het feest van 25 jaar IDFA. De Haagse bezuinigers van Rutte-2 blijken bij hun aanval op de publieke omroep en de opheffing van het Mediafonds van plan, de enkele miljoenen subsidie weg te halen die een bloeiende cultuur van particuliere productiebedrijfjes en kleine, creatieve films mogelijk maakt.

Als we niet oppassen, wordt IDFA straks weer wat het was aan het begin was: een festival waar je kunt zien wat er in de grote wereld gebeurt, zonder het gevoel dat je aan die wereld zelf mee kunt doen.