Het toeval is de grote regisseur

John Appel maakte een film over het toeval, Breiviks aanslag in Noorwegen was de aanleiding.

Wrong time, wrong place begint bijna idyllisch – met een base-jumper die van een berg springt. Maar de schone droom vervliegt vlug in deze zevende lange documentaire van John Appel (1958), waarin Anders Breiviks aanslag centraal staat en waarmee de jubileumeditie van het IDFA dit jaar geopend wordt. Appel is een vaste gast van IDFA sinds op het festival van 1993 zijn documentaire Johnny Meijer, Body and Soul in première ging.

Die film, over een Amsterdamse jazzaccordeonist wiens talent wereldwijd werd erkend maar die door zijn persoonlijke karakter nooit veel verder kwam dan spelen in de Amsterdamse Jordaan, is tekenend voor het vaak paradoxale karakter van Appels werk. Ook zijn bekendste film, Zij gelooft in mij, een portret van André Hazes uit 1999, speelt met een opmerkelijke tegenstelling. We zien de succesvolle en geliefde volkszanger doodongelukkig en bijna verlamd door het vooruitzicht in het grote Ahoy te moeten optreden.

Appels films, kortom, zijn vaak niet wat ze lijken. Wrong time, wrong place lijkt op die regel geen uitzondering te vormen. We spreken hem in een van de rijk gedecoreerde ruimten van filmtheater Tuschinski, waar zijn nieuwste film over een week in première gaat.

Wanneer u uw eigen film beziet, waar gaat deze dan over?

„De premisse van mijn film is: hoezeer je je ook probeert te wapenen tegen het lot, uiteindelijk is het toeval de grote regisseur.”

Hoe dat zo? Houdt het noodlot je sterk bezig?

„Heel erg. Ik probeer niet alles van tevoren te weten, maar te maken dat ik gedurende het filmen allerlei dingen tegenkom.”

Is de film dan ook het resultaat van toeval?

„Ik wilde al heel lang een film maken over het toeval. Maar vorig jaar wist ik pas hoe ik het moest aanpakken: naar aanleiding van een grote dramatische gebeurtenis, een grote ramp. Het script was al klaar, alleen de ramp zelf was nog onbekend. Toen diende de moordpartij op Utøya zich aan. Ik heb wat gewacht totdat de enorme media-aandacht verflauwde en al die honderden cameraploegen die in Noorwegen waren, weer naar huis. Want ik wilde wat anders dan reacties heet van de naald.”

Breivik, die de ramp op zijn geweten had, wordt in de film niet met name genoemd en komt maar heel even in beeld. Waarom?

„Dat is een bewuste keuze. Het is niet dat ik het niet verschrikkelijk vind wat hij gedaan heeft. Maar door hem met name te noemen, zou het lijken alsof de film een afrekening met hem is. Voor mij is hij alleen het Kwaad zelf, de duivel zelf.”

Hoe ben je te werk gegaan bij het opsporen van je personages?

„Dat heeft maanden research gekost. Je moet mensen vinden die geschikt zijn en dan ook nog eens bereid zijn om voor de camera te verschijnen. En ook daarbij heeft het toeval een grote rol gespeeld. Over de Oegandese vrouw die van het eiland is ontsnapt had ik gehoord dat ze niet wilde spreken, zolang ze in Oeganda zat en zwanger was. Maar mijn intuïtie zei dat ik toch moest blijven proberen. Toen kreeg ik een tip dat ze, nog steeds zwanger, uitgerekend naar Nederland was gevlucht. En daar heb ik haar, twee dagen voor de bevalling, mogen filmen.”

Hoe lang heb je aan deze film gewerkt?

„Voor mijn gevoel vrij kort, voor zo’n lange film. Ga maar na: in juli vorig jaar gebeurde het in Noorwegen, in augustus ging ik daar voor het eerst heen, en in december heb ik mijn eerste personage gefilmd.”

Heb je bij het maken iets geleerd over het toeval dat je nog niet wist?

„Zelf vind ik het verhaal heel mooi van de man die bij de aanslag bijna blind is geworden, maar daardoor tegelijkertijd vindt dat hij genezing heeft gevonden voor iets wat nog veel erger is: het verlies van zijn kind. Wat ik geleerd heb is dat zelfs zo’n grote ramp niet voor iedereen negatieve gevolgen hoeft te hebben.”

De meeste personages zijn geen Noren.

„Voor een deel is ook dat toeval. Maar ik was er ook op uit te laten zien dat het lot zich niet beperkt tot één land, en wilde mensen laten zien die als het ware van buitenaf tegen de ramp zijn opgelopen.”

Zoek je als mens het lot zelf op, door gevaarlijke sporten of zo?

„Nee, niet op die manier. Voor mij geen basejumpen of bungeejumpen. Ik fiets wel eens hard een berg af, dat is alles. Maar ik vind wel dat je niet bang moet zijn om in je leven dingen te doen waaraan een risico verbonden is.”

Is filmmaker een risicovol beroep?

„Ik vind van wel. Je loopt het risico dat je een slechte film maakt. Terwijl je bezig bent met het maken van een film ga je vaak een weg op waar geen terug meer van is, als een rijdende trein waar je niet meer van af kunt springen.”

Je hebt inmiddels tientallen documentaires gemaakt, maar toch blijft één verreweg je bekendste: Zij gelooft in mij, over André Hazes. Is dat niet ergens een beetje vervelend, dat al je films worden gemeten aan je grootste succes?

„Ik heb geprobeerd me te revancheren door in ieder geval films te maken die heel anders waren. En beter, al is het misschien niet voor zo'n groot publiek. Een goede documentaire ontstijgt zijn onderwerp, en vertelt in een volgende laag iets heel anders. Dit zou ook geen goede film geweest zijn als hij alleen maar over de ramp in Noorwegen ging.”