Europa, berg je maar

(FILES) - A file picture taken on October 25, 2010 shows French writer Jerome Ferrari posing in the French Academy in Paris. Ferrari has been awarded on November 7, 2012 with the Goncourt prize, one of France's top literary prize for his novel "Le sermon sur la chute de Rome". AFP PHOTO MIGUEL MEDINA Jérôme Ferrari (Foto AFP)

De Prix Goncourt 2012 is vanmiddag toegekend aan Jerôme Ferrari voor zijn roman Le sermon de la chute de Rome. Critica Margot Dijkgraaf over het winnende boek.

Met de winst van de Prix Goncourt is Ferrari voor de rest van zijn leven financieel onafhankelijk en hoeft ook zijn uitgeverij, Actes Sud, zich voor komend jaar geen zorgen te maken. Tot nu toe werden er al 90.000 exemplaren van het boek verkocht, later deze week liggen er - voorlopig - nog eens 150.000 in de winkel.

Als een hele grote verrassing kwam de bekroning niet - Ferrari gold al weken als een van de twee grote favorieten, zeker sinds Le monde des Livres, de boekenbijlage van dagblad Le Monde, op 23 augustus opende met een bijzonder lovende kritiek plus interview met de 44-jarige schrijver.

Toen de prix Femina afgelopen maandag aan Patrick Deville werd toegekend, leek Frankrijks belangrijkste literaire prijs Ferrari niet meer te kunnen ontgaan. Zijn zesde, bijzondere roman speelt zich grotendeels op Corsica af. De auteur, tegenwoordig verbonden aan het Institut Français van Abu Dhabi, doceerde er na zijn studie filosofie aan een lyceum in Ajaccio en werd, zo vertelde hij aan Le Monde, twee jaar lang gegrepen door de nationalistische geest die er al decennia op het eiland heerst. Hij vertaalde in die tijd ook twee romans uit het Corsicaans naar het Frans.  ‘Voor het eerst sleept een Corsicaanse schrijver de grootste Franse prijs in de wacht’, kopte de Corsicaanse krant Corse Matin trots, luttele minuten nadat de bekendmaking had plaatsgevonden.

De twee hoofdpersonen uit Ferrari’s boek zijn jongens die in Parijs gaan studeren, ontdekken dat hun hart daar niet ligt, hun studie aan de wilgen hangen en terugkeren naar Corsica, waar ze, in the middle of nowhere, een bar openen. Hun ziel en zaligheid stoppen ze in het runnen van die bar, ze investeren, nemen goed uitziende, single door het leven gaande bardames aan voor de klandizie en weten van hun dorp de best lopende toeristische trekpleister van het eiland te maken. Zelf nemen ze het er ook van, drank, seks, binnenstromende pecunia - het lijkt niet op te kunnen. Maar Corsica blijft Corsica: al snel ligt er een revolver binnen handbereik achter de bar.

De nationalistische strijd uit de jaren 90, het geweld tussen rivaliserende groepen en de aanslagen die prompt met nieuwe aanslagen werden beantwoord zijn niet direct onderwerp van de roman. Ze vormen er wel de achtergrond van. Ferrari ziet het groot: het mini-imperium van de bar op Corsica staat voor Rome, voor Frankrijk, voor het Franse koloniale rijk, nee: voor alle koloniale imperia en voor héél Europa. Imperia gaan ten onder en zo gaat ook de harmonie in het Corsicaanse minikoninkrijkje scheuren vertonen. Ruzie om geld, om vrouwen, rivaliteit, jaloezie, vreemde blikken van buiten, verschillende toekomstvisies - ze gooien roet in het eten en leiden uiteindelijk tot de onontkoombare catastrofe die je al vanaf de eerste bladzijde voelt aankomen.

De titel van de roman, Le sermon de la chute de Rome, verwijst - enigszins pretentieus - naar de preek van kerkvader Augustinus over de val van Rome, in 410. De val en plundering van Rome legt hij uit als een waarschuwing van God. Ieder hoofdstuk opent Ferrari met een citaat uit diens preek, in het laatste hoofdstuk legt de auteur - voor wie het nog niet helemaal heeft begrepen - nog eens helemaal uit wat dat nu precies was, de val van Rome, hoe hij al die referenties in zijn roman nu bedoeld heeft. Er hangt een doem over de mensheid, er voortekenen van het einde, de apocalyps is niet ver meer. Europa, berg je maar.

Ook Ferrari’s andere personages refereren aan werelden die op hun laatste benen lopen en die inmiddels ten onder zijn gegaan: Indochina, Algerije, het hele voormalige koloniale rijk van Frankrijk is immers, na met bloed en te zwaard te zijn veroverd en verdedigd, roemloos verdwenen - met alle littekens van dien. De Franse functionarissen in het boek zijn ‘niet gekomen om beschaving te brengen’, - nee, die hebben ze zelf niet eens gekend -, maar om eindelijk ‘het leven te leiden dat (ze) verdienen’. En nu zitten ze daar ‘in dat koninkrijk van barbaarse droefenis aan het uiteinde van het Imperium’. Hun vrouwen sterven, hun eigen lichaam rot weg in het tropische klimaat van Indochina of Afrika. Ze zien hoe het imperium ineenstort, doem en verderf is overal.

“In de jaren 90 raakte Corsica ook steeds leger”, vertelde Ferrari vanmiddag voor de microfoon van France Culture, “er vielen veel doden, mensen trokken weg, er bleven steeds meer vervallen en verlaten dorpen over. Het cliché van Corsica is gewoon waar. Daarom voegen mijn personages zich ook naar dat cliché. Hun lot is onontkoombaar, hun wereldje gaat ten onder.”

De vele vertalers die zich nu wereldwijd aan het werk gaan zetten, zullen een harde dobber hebben: het taalgebruik van Ferrari kent vele registers, van religieus en bijbels tot scabreus, poëtisch en hoogdravend, zijn zinnen beslaan niet zelden meer dan enkele pagina’s (Proust heeft hij niet gelezen, vertelde hij in een interview). Hij rijgt zinnen met komma’s aan elkaar, schrijft nauwelijks dialogen, heeft een groot gevoel voor ritme en speelt met alle tijdsvormen (terugblikken, vooruitblikken) die je je maar kunt voorstellen. Het maakt de Goncourt van dit jaar tot een roman vol historisch besef die een dreigende brug slaat naar het heden, met een zwarte ondertoon, een roman die zich niet aan je geeft, maar die je moet veroveren. Een roman ook die zich plaatst in de recente trend waarbij Frankrijk terug is in de Franse literatuur.

De andere genomineerden waren Patrick Deville, met Pest & Choléra bekroond met de Prix Femina; Joël Dicker, met La Vérité sur l’Affaire Harry Quebert  die vorige week de Grand Prix de l’Académie française kreeg en Linda Lê met haar roman Lame de fond.

Matthias Enard, wiens roman Rue des Voleurs, buiten de derde en laatste Goncourtselectie viel, werd vorige week op de boekenbeurs van Beyrouth bekroond met Le Choix de L’Orient, een afgeleide van de Prix Goncourt, gekozen uit de eerste nominaties door studenten Frans aan een veelheid van Arabische universiteiten.

Tegelijk met de prix Goncourt werd bekend gemaakt dat de Frans-Rwandese schrijfster Scholastique Mukasonga de Prix Renaudot krijgt voor haar roman Notre-Dame du Nil.

Jérôme Ferrari: Le sermon sur la chute de Rome, Actes Sud, 202 blz, € 19

De Nederlandse vertaling van het Prix Goncourt-winnende boek van vorig jaar, L’art français de la guerre van Alexis Jenni, verschijnt volgende week bij uitgeverij De Geus.