De status van een snor

Hoe kloeker de snor, hoe hoger op de carrièreladder. Dat was vroeger. Nu komt de snor voorzichtig terug.

Medewerkers van Philips laten in het kader van 'Movember' hun snor staan. De beoogde snor is alvast geschetst. Portret en snor van: Alok Jain (37) Director Business Development. Foto: Peter de Krom

Toen de vader van de vader van de vader van Robert Lagerman als barbier nog dagelijks mannen schoor met een open mes, kon je aan gezichtsbeharing nog iets aflezen over een man en zijn positie op de werkvloer.

„Wie gladde kaken had, gaf leiding”, zegt Lagerman. „Want een gewone arbeider kon zich niet meer dan één barbiersbezoek per week veroorloven. En niemand schoor zich thuis.”

Een kloeke snor? Ook dan was je vaak op de ladder geklommen. Want een verstandige vent hield eind negentiende eeuw zijn snor kleiner dan die van zijn chef. Geen plicht. Meer een kwestie van gevoel voor verhoudingen. En die vielen in egalitair Nederland nog mee ook.

Laat de Cambridge-historicus Piers Brendon eens anekdotes opdissen over de serious business die de snor in imperiaal Groot-Brittannië was. Wee het personeelslid dat net zo’n krul op z’n bovenlip ambieerde als zijn patroon. Dat kon het einde betekenen van zijn baan. In het Britse leger was de snor vanaf 1860 zelfs verplicht voor officieren. Alsof ze daar niet genoeg kentekenen van hiërarchie hadden. Pas in 1916 kwam aan de regel een eind. Maar daar was wel een besluit van de vorst voor nodig.

Nee, dan nu. Movember – de actiemaand waarin duizenden mannen hun snor laten staan om aandacht te vragen voor onder andere prostaatkanker – werkt juist als gelijkmaker: samen campagne voeren, rond een kwaal die iedere man kan treffen.

Gezichtsbeharing is geen ernst meer, maar luim. Op tal van kantoren (zoals het gefotografeerde Philips, dat Movember sponsort door een euro te doneren voor elke centimeter snor die deelnemende mannen weten te kweken) is de financiële man straks net Magnum P.I., is de directeur sprekend Zorro en probeert de stagiair te lijken op Dali. Tot hilariteit van de collega’s.

En als Movember één ding duidelijk maakt over snorren, dan is het dat ze hier eigenlijk nog amper in het wild voorkomen. Anders zouden ze nooit een vehikel voor publiciteit zijn.

Wie zich in Nederland serieus wil verdiepen in beharing, komt uit bij Anneke Smelik, hoogleraar visuele cultuur. Zij schreef diverse malen over de veranderde smaak in lichaamshaar.

In het artikel Het laatste taboe legt ze de geleidelijke verdwijning van het mannelijke borsthaar bijvoorbeeld uit met „Foucauldiaanse disciplinering”. Een „langzame ontwikkeling binnen de beeldcultuur die leidt tot onuitgesproken normen”.

Plat gezegd: toen de behaarde Sean Connery James Bond speelde, koesterden mannen hun vachtjes. Nu Daniel Craig, met z’n gladde torso, 007 is, hanteren mannen de trimmer. Ook al geeft niemand ze opdracht daartoe.

Maar Smelik haast zich desgevraagd om te zeggen dat wat voor lichaamshaar geldt, niet per se voor gezichtshaar hoeft te gelden. „Want lichaamshaar associëren we met dieren. Daarom vinden we het nu vies. Gezichtshaar is een ander verhaal. Apen hebben geen snorren of baarden.”

Opnieuw te rade bij Robert Lagerman. De vierde generatie in een barbiersgeslacht, en de uitbater van de Rotterdamse New York Barbershop. Hij heeft modes in gezichtshaar zien komen en gaan. Lagerman wijt de zwakke positie van de snor aan het verdwijnen van ambassadeurs. „In de jaren vijftig waren er veel filmsterren en politici met snorren. Ik weet zeker: als vandaag een bekende voetballer weer een snor laat staan, doet morgen de halve Kuip hetzelfde.”

De doodsteek voor de behaarde bovenlip, kwam volgens hem in de jaren tachtig. Door gel. Die gele smurrie die ineens per literpot te koop was. „De trend voor mannen werd: haar recht omhoog. Bij zo’n kapsel is een snor geen gezicht meer. En toen schoren veel mannen ’m af.”

Maar de mode van de jaren ’10 brengt de snor voorzichtig terug. „We hebben nu beduidend meer mannen met snorren in de zaak dan een paar jaar geleden. Maar die hebben ’m dan even. Daarna hebben ze een baard, een andere snor, of niks.”

„Dat is het grote verschil met vroeger. Mannen in de tijd van mijn opa veranderden nooit. Had je een snor, dan zat die er je hele leven. Mannen van nu veranderen de hele tijd.”

Toch is de rol van de snor op de werkvloer niet helemaal uitgespeeld. Eén type mannelijk werknemer is beroepshalve nog altijd vatbaar voor de autoritaire uitstraling die de snor met zich meebrengt: de expat.

Want Nederland telt voldoende multinationals die opereren in Arabische of Aziatische landen, waar de snor net zo’n statussymbool is als de leaseauto hier.

Volgens de persdienst van Phillips – het bedrijf verkoopt naast scheerapparaten, ook trimmers en onderzoekt daarom haarmodes – is India op gebied van male grooming, een van de opwindendste markten. „Gezichtsbeharing is er de rule of the land. En niks is er populairder dan de snor.” Het is exciting, schrijft het bedrijf, „om een cultuur aan te treffen waar zoveel publieke figuren onderscheidende snorren en baarden hebben. En waar jonge mannen” – ja werkelijk – „streven naar mustache greatness”.