Snelle luis

De schaamluis (Pthirus pubis) is lange tijd voor een sloom, honkvast insect aangezien. George Nuttall (1862-1937), pionier van het schaamluisonderzoek, stelde vast bij platjes levend onder de nylonkous van een proefpersoon dat ze zich ten hoogste tien centimeter per dag verplaatsen. Pas in 1983 werd dit ontkracht. Nuttall had de bewegingen in het volle licht bestudeerd, terwijl de beestjes delen van het lichaam bevolken waar de zon nooit schijnt: de schaamstreek en de bilnaad. Onder de onderzoekslamp, vertonen de luizen een schrikreactie en blijven ze waar ze zijn. Ian Burgess en John Maunder van de London School of Hygiene & Tropical Medicine kweekten schaamluizen in bodemloze aluminium doosjes die op de onderarmen van vrijwilligers waren geplakt. Met een pluk schaamhaar als substraat deden de luizen het prima. De kweekresultaten gebruikten ze voor ingenieuze verplaatsingsproeven (Community Medicine 5: 238-241). De luizen werden bestoven met poeder dat onder uv-licht fluoresceert. Zo konden de gangen van luizen in het donker worden nagegaan. De experimenten, uitgevoerd op een man met een natuurlijke schaamluisinfectie, leverden opvallende uitkomsten. De eigen populatie van de gastheer bleef trouw aan het schaamhaar, maar zo gauw er nieuwe platjes werden losgelaten, verplaatsten die zich snel naar het buik- en borsthaar. Schaamluizen afkomstig van een gastvrouw legden de grootste afstanden af op het lichaam van de vrijwilliger: na 24 uur bereikten ze oksels en onderbenen.