Koopkrachtoprispingen

Tot de evergreens in de Nederlandse politiek behoren de discussies over het koopkrachtplaatje, een woord dat door degenen die zich daaraan ergeren nog weleens van het adjectief ‘vermaledijde’ wordt voorzien.

Dat is wat de discussies over zorgpremies, belastingverlagingen, AWBZ-bezuinigingen, huurverhogingen en hypotheekrenteaftrek nu ook weer zijn: gesoebat over het koopkrachtplaatje.

Minder gebruikelijk is wel dat het de VVD is die zich zo druk maakt om het plaatje. Koopkrachtdiscussies waren meer iets voor links, dat de laagstbetaalden tot achter de komma wilde ontzien.

Toenmalig VVD-fractieleider Van Aartsen zei in de Tweede Kamer: „Nederland heeft behoefte aan houvast, een beeld, een perspectief. Dit biedt een koopkrachtplaatje niet. Cijfers kunnen het gevoel van mensen niet vangen.”

Dat was op 21 september 2005, één dag na Prinsjesdag.

Wel heeft de VVD eerder een oprisping op dit terrein gehad. Het tweede kabinet-Lubbers, waarin deze partij met het CDA een coalitie vormde, sneuvelde in 1989 onder meer door een plan om via het reiskostenforfait de belasting voor automobilisten te verhogen. Voor blije en andere rijders was dat slecht nieuws en de VVD wenste hun koopkracht niet aan te tasten.

Koopkracht lijkt ook het centrale thema te worden van het debat over de regeringsverklaring, donderdag in de Kamer. Als dat tenminste doorgaat. Want vier oppositiepartijen weigeren dit debat nu te voeren als het kabinet niet eerst laat uitrekenen waar het met de koopkrachtplaatjes heengaat.

Dit is een dreigement van een qua samenstelling opmerkelijk kwartet (PVV, D66, SP en CDA) dat veel te ver gaat. Zeker, van het kabinet mag nu meer duidelijkheid worden verlangd dan het tot nu toe heeft verschaft. Maar het is niet tot het onmogelijke gehouden: alle gevolgen geven van wetsvoorstellen die er nog niets eens zijn.

De regeringsverklaring over het voorgenomen kabinetsbeleid gaat over zoveel meer dan over zorgpremies en koopkrachtplaatjes. Het gaat bijvoorbeeld over de positie die Nederland in Europa wenst in te nemen, over de aanpak van de eurocrisis, over het defensiebeleid, onderwijs, enzovoorts. Het is de eerste confrontatie van het nieuwe kabinet met de in september gekozen volksvertegenwoordiging.

Een parlement hoort het debat over het regeerakkoord niet uit de weg te gaan. Het laat dan na waarvoor het is gekozen. Het kan trachten met moties het kabinet op een ander spoor te zetten. Partijen kunnen zichzelf positioneren. Kortom: de Tweede Kamer hoort gewoon haar werk te doen.