Koekoeksjong

Vorige week zat ik bij een vriend aan de keukentafel. We hadden het over familie. „Wat vind jij belangrijker, vrienden of familie?” vroeg hij. Ik vond die keuze iets te Sophie’s Choice-achtig en zei: „Vrienden kies je zelf uit. Maar de band met mijn naaste familie is wel heel sterk: als mijn broertje een levensgevaarlijke pyromaan blijkt te zijn, zal ik hem altijd blijven opzoeken in de gevangenis en hem waarschijnlijk ook stiekem dvd’s van een brandend haardvuur cadeau doen.” De vriend leunde met zijn armen over elkaar geslagen en zijn wijnglas in de hand achterover en zei: „Ik geloof niet dat een familieband om de een of andere diepgewortelde genetische reden sterker zou zijn dan de band die je met je vrienden opbouwt. Vriendschap levert veel meer op: vrienden passen bij je, ze vullen je aan, het is ergens op gebaseerd.”

Ik wist waarom hij er zo over dacht. Mijn vriend is een koekoeksjong.

Koekoeksjong, gevogelte: het jong van een koekoek. Een koekoeksjong groeit altijd op in een vreemd nest: de moederkoekoek is een broedparasiet, ze legt haar ei in het geniep in een ander nest en laat de andere vogel het jong verzorgen.

Koekoeksjong, mensen: een kind dat zó anders uitpakt dan de twee bijbehorende ouders dat je je gaat afvragen hoe dat DNA in godsnaam daar verzeild is geraakt.

Ik heb meer koekoeksjongen ontmoet: de schrijver die zijn tijd het liefste doorbrengt in het Concertgebouw of de Amsterdamse Stadsschouwburg, een indrukwekkende verzameling boeken over apartheid bezit en zichzelf met trots een snob noemt – afkomstig uit een klein dorpje in Brabant waar zijn familie enkel over koopzondagen wilde praten, gesprekken over gevoelens liever ontweek en op Tweede Kerstdag altijd babi pangang ging halen. Het meisje dat als kunstproject graag dode dieren opzet en haar complete huiskamer heeft gedecoreerd met Velociraptors – ooit opgegroeid ergens boven Rotterdam in een huisje met porseleinen ganzen voor het raam.

Het gaat in deze gevallen niet om verschillen tussen ouders en kind als: „Kijk je nou alwéér naar die Sissi Die junge Kaiserin-marathon?”, of ouders die economie hebben gestudeerd terwijl hun zoon voor de banketbakkersopleiding koos. Het gaat om situaties die doen vermoeden dat hun moeders in het diepste geheim bezwangerd zijn door een rondzwervende wiskundige, een verdwaalde slam poetry dichter of een velociraptor.

De vriend aan de keukentafel zegt dat hij het oprecht geen probleem zou vinden om zijn twee broers nooit meer te zien. Hij zou er niets aan missen, hij weet niet wat hij met ze zou moeten bespreken – maar hij gaat toch, elke verjaardag en elke Kerst weer. Voor zijn ouders: „Uit een familie stappen is heel ingrijpend. Ik weet zeker dat mijn moeder daar heel verdrietig van zou worden.” Wel gaat hij steeds vaker net in die feestdagenmaand op vakantie. Dit jaar vertrekt hij met vrienden naar een strand: „Geen diner, geen kerstboom, geen ongemakkelijke stiltes. Ik ben met de mensen waar ik mee wil zijn.”