Ethische plicht tot abortus bij ernstig gebrek foetus

Via een bloedmonster van de moeder kan het DNA van de foetus gevaarloos worden getest. Dit brengt nieuwe ethische plichten voor de ouders, vindt Marcel Zuijderland.

Sinds kort is in tal van prenatale klinieken en ziekenhuizen in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Liechtenstein een test beschikbaar waarbij via een bloedmonster van de moeder het DNA van het ongeboren kind kan worden vastgesteld. Nu geeft de test slechts uitsluitsel of het kind belast is met het syndroom van Down, maar al gauw zal het mogelijk zijn te screenen op andere aangeboren lichamelijke en verstandelijke handicaps.

De test is betrouwbaarder dan echoscopisch onderzoek. In tegenstelling tot de vruchtwaterpunctie of de vlokkentest, waarbij een kleine kans bestaat op een miskraam, is de test niet invasief. Vanaf de twaalfde week is het resultaat betrouwbaar. Het ‘voordeel’ is dat abortus minder ingrijpend en moreel belastend wordt dan pas na bijvoorbeeld de twintigwekenecho.

Deze test komt waarschijnlijk over één of twee jaar ook hier beschikbaar. Dan moeten we ons afvragen of aanstaande ouders nog het risico mogen nemen kinderen met lichamelijke en verstandelijke handicaps geboren te laten worden. Hebben ze niet een ethische verantwoordelijkheid zich te laten testen, en de zwangerschap af te breken als blijkt dat het kind zwaar gehandicapt is?

Mochten aanstaande ouders bij voorbaat kunnen kiezen tussen de geboorte van een gezond of een gehandicapt kind, dan vinden we het vanzelfsprekend dat ze voor een gezond kind kiezen. Voor dat kind verwachten we immers een beduidend hogere kans op welzijn. We vinden dat ouders de plicht hebben het beste welzijn voor hun kinderen te garanderen. Een expliciete keuze voor het gehandicapte kind zouden we daarom verwerpelijk en absurd vinden.

Om diezelfde reden verwachten we ook dat een vrouw haar zwangerschapswens uitstelt als ze besmet blijkt met rode hond, aangezien deze besmetting leidt tot een kind met ernstige handicaps. Zelfs al zou dat kind op de een of andere manier een draaglijk leven in het vooruitzicht hebben, dan vinden we nog steeds dat ze moet wachten tot ze een gezond kind kan krijgen. Als beter dan draaglijk mogelijk is, ligt de morele voorkeur bij beter.

Volgens onze morele intuïtie komen we altijd uit bij een voorkeur voor kinderen met het hoogste potentieel voor welzijn. Hoe minder dat potentieel is, hoe sterker we de keuze ervoor zullen afkeuren. Nadert dat potentieel het minimum, dan vinden we die keuze ethisch onaanvaardbaar, bijvoorbeeld als een vrouw kiest voor zwangerschap terwijl ze besmet is met rode hond.

Bij screenings is uitstel van de zwangerschap geen keuze meer, maar dan wordt de vraag of ouders de morele verantwoordelijkheid hebben de zwangerschap af te breken om de geboorte van een gehandicapt kind te voorkomen. Deze verantwoordelijkheid hebben ze zeker. Het is immers hun plicht het welzijn van hun kinderen te garanderen. Een abortus zou dit specifieke kind behoeden voor een bestaan dat hiervan onvermijdelijk ontdaan is. Als ze aan de morele status van de foetus een zwaarder gewicht toekennen dan aan het welzijn van het kind, zullen ze de zwangerschap daarentegen toch willen doorzetten. Dit recht hebben ze, vooral de aanstaande moeder. Zij blijft baas in eigen buik en heeft uiteindelijk het laatste woord of het kind geboren wordt.

Toch is het de vraag of haar recht wel zo absoluut geldt als het leidt tot de geboorte van een kind dat zelf nooit in staat zal zijn de basale rechten te genieten waarop ieder kind recht heeft, zoals het recht op lichamelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling. Zo'n ernstige ziekte is het aangeboren 22q11.2 deletie syndroom met een hartafwijking en een cascade van ziekten, ontwikkelingsstoornissen, angsten. Dat is onverenigbaar met een goed leven.

Zodra het kind geboren zal worden in een onomkeerbare conditie die hem bij voorbaat zijn rechten ontneemt, kun je de zwangerschap met terugwerkende kracht bestempelen als onrechtmatig. Abortus is dan een legitieme ingreep om dat onrecht ongedaan te maken.

Nu deze nieuwe test in een vroeg stadium – zonder invasieve ingrepen en risico op miskraam – uitsluitsel hierover geeft, is het niet langer te verantwoorden dat ouders de geboorte van een kind overlaten aan het toeval. Blijkt een eerlijke start en een goed leven het kind te worden onthouden door een aangeboren handicap, dan heeft hij het recht om hiervoor te worden behoed, en hebben de ouders de plicht hem hiervoor te behoeden. Het afbreken van de zwangerschap is dan rechtvaardig en een daad van compassie.

Marcel Zuijderland is filosoof en publicist.