Briljant en onafhankelijk meester in spel met de tijd

De muziek van Elliott Carter was eigenzinnig en complex. „Het is muziek waar je geconcentreerd naar moet luisteren”, zei de componist zelf.

Sir Elliott Cook CARTER (1908 - 2012 ) Amerikaans Componist, American composer. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==B/W==Nederland. Rotterdam, 29 maart 1993. Neg. 93089 ©Vincent Mentzel 1993

Hij was geen Stravinsky-epigoon, geen 12-toonscomponist en geen onderzoeker van nieuwe instrumentale klanken, zoals Varèse of John Cage. Ook een publieksverleider, zoals Bernstein of Barber, kun je hem niet noemen. Maar de muziek van de gisteren op 103-jarige leeftijd overleden componist Elliott Carter was wel door en door Amerikaans en New Yorks: enerverend, complex, onafhankelijk.

Elliott Carter (New York, 1908) werd geboren in een familie die welvarend was geworden met het importeren van Europees kant. Een deel van zijn kindertijd bracht hij in Europa door, en aan een zekere oriëntatie op het continent bleef hij trouw. Als gegoede burgerjongen studeerde hij aan de universiteit van Harvard, maar keerde als twintiger terug naar Europa om compositie te studeren bij de legendarische Nadia Boulanger in Parijs.

In zijn vroege composities was Carter conformistisch. De Eerste symfonie (1942) en Holiday Overture (1944) zijn goed georkestreerde, neoklassieke stukken met naïeve Amerikaanse ondertoon. Pas met de Cellosonate (1948) nam zijn ontwikkeling een radicale wending. De twee instrumenten opereren in gescheiden tijdsuniversa: de piano speelt regelmatige pulsen, de cello heeft een lyrische melodie die zich daar helemaal niets van aantrekt.

Het spel met contrasterende tijdsverlopen werd Carters handelsmerk. Hij ontwikkelde een methode, ‘metrische modulatie’, om het tempo van een partij onmerkbaar te laten evolueren. Die tempoplanning verschoof zich in zijn oeuvre steeds meer naar de muzikale diepte: sinds de jaren zestig baseerde hij veel werken op onhoorbaar langzame pulsslagen die het verloop van de muziek bepaalden. In de meesterlijke liedcyclus A Mirror On Which To Dwell (1975) en A Symphony of Three Orchestras (1976) werd dat procedé aangevuld met grotere betrokkenheid van de lijnen op elkaar, vervat in een zachtaardiger harmonische taal.

Vrij van kritiek was Carter niet. Musicoloog Richard Taruskin noemde hem “overschat”, een voorbeeld van Amerikaans academisme. Maar in Europa werd hij door dirigenten als Boulez en Knussen op handen gedragen en bestelden ensembles als ASKO|Schönberg graag werken bij hem. Het ASKO Concerto (2000) was typisch voor de latere Carter: complex, maar ook lichtvoetig, humoristisch en lyrisch.

Carter bleef tot het allerlaatst werken aan nieuwe werken; voor februari 2013 staat nog de wereldpremière van zijn laatste stuk gepland. Waarom? „Gewoon omdat ik het leuk vind”, zei hij daarover zelf.

Carter won tweemaal de Pulitzer Prijs, gaf les aan talrijke universiteiten en de Juilliard School en zijn werk werd uitgevoerd door alle grote orkesten, ensembles en topsolisten – voor zover ze belangstelling hadden voor complexe stukken. Carter zelf bleef optimistisch. In een documentaire van Frank Scheffer zei hij met pretoogjes: „We leven in een vreemde verwarring. De maatschappij wordt complexer, dichtbevolkter, en er gebeuren steeds meer verschillende dingen tegelijk. Mensen moeten dus slimmer en alerter worden. En dán zullen ze ook mijn muziek gaan waarderen.”

M.m.v. Jochem Valkenburg en Leo Samama.