Amerika is nog altijd the world's number 1

Amerika twijfelt aan zichzelf. Maar vannacht kiezen de Amerikanen een president die hoe dan ook een hoofdrol zal spelen in een veranderende wereld.

EAGLE, WI - NOVEMBER 01: A campaign sign showing support for President Barack Obama sits along the edge of a rural road near a shuttered business November 1, 2012 near Eagle, Wisconsin. Wisconsin is one of nine battleground states expected to determine the outcome of Tuesday's presidential election. Scott Olson/Getty Images/AFP == FOR NEWSPAPERS, INTERNET, TELCOS & TELEVISION USE ONLY == AFP

Chef Buitenland

Spencer Linder, een 21-jarige student economie in Austin, Texas, wil investeerder worden, zo één als Mitt Romney ooit was – de Republikeinse presidentskandidaat op wie hij vannacht stemt. Maar de held van Linder is Warren Buffett, met 44 miljard dollar privévermogen (volgens Forbes) niet alleen de op twee na rijkste man ter wereld, maar ook een medestander van Barack Obama, Romneys rivaal.

Tegenstelling? Niet echt.

Buffett is een pleitbezorger van hogere belasting voor rijken (zoals hijzelf) en een filantroop die zijn geld liever weggeeft dan zijn kinderen zoveel mogelijk na te laten. Rijkdom, vindt Buffett, moet verdiend worden door getalenteerde mensen. Spencer Linder werkt om zijn studie te bekostigen. Hij heeft geen beurs en zijn ouders verloren hun spaargeld in de crisis. De student onderstreept dat hij van de markt houdt, maar niet van „de irrationele inhaligheid van een handjevol mensen in de financiële sector”.

Linder vertelde dit aan een van de verslaggevers van deze krant die de afgelopen maand door de VS reisden, op zoek naar de vraag wat Amerika de wereld nog te bieden heeft. Buffett kwam trouwens ook voor in de vele pagina’s die de krant aan deze vraag wijdde – onder meer als geldschieter van de stichting van het enige Amerikaanse paar dat nóg rijker is dan hij, Bill en Melinda Gates. Hun stichting verbreidt Amerikaanse waarden in de wereld door hulp aan goede doelen, zoals zorg en onderwijs.

De student, de belegger, de presidentskandidaat, de filantroop: samen vormen zij één antwoord op de vraag wat Amerika nog te bieden heeft. Enkele unique selling points van de VS sinds meer dan honderd jaar zijn in elk geval nog springlevend: strijdvaardigheid om het te maken, geloof in geld en de overtuiging dat rijkdom – zeker van Amerikanen – gepaard gaat met een missie. Die missie kan evengoed bestaan uit het in stand houden van het allerindividueelste recht om steeds weer iets op te bouwen als uit het veranderen van de wereld.

Volgens een van de invloedrijkste Amerikaanse journalisten van de 20ste eeuw, Walter Lippmann, zijn deze twee Amerikaanse dromen deel van één verhaal. Als voormalig adviseur van (vrijhandels-)president Woodrow Wilson verdedigde hij in de jaren 20 en 30 dat ondernemerschap niet alleen de motor is van de macht en vitaliteit van Amerika, maar ook een ordenend principe voor de wereld. Zakenmensen veroorzaken ongelijkheid en onrecht, maar op de lange termijn zorgen zij niet alleen voor grotere welvaart voor iedereen, maar ook voor gedeelde belangen en verbanden over de hele wereld. Het is een pleidooi voor globalisering avant la lettre. In 1937 bracht hij zijn ideeën samen in een boek met de veelbetekenende titel The Good Society.

Geld verdienen, succes bevechten, als een cultuurideaal dat binnenlands zorgt voor economische veerkracht en wereldwijd aantrekkingskracht uitoefent. Lippmann formuleerde het in de crisisjaren 30. Nu verkeert Amerika opnieuw in economische onzekerheid en staat het zelfvertrouwen onder druk. Er is twijfel aan Amerika’s kracht, in de VS en internationaal. Twijfel aan de veerkracht van miljoenen armen, voor wie de American Dream een voorrecht lijkt dat graaiers aan de top voor zichzelf reserveren. Om nog een van de 21-jarigen te citeren die de afgelopen dagen in de krant stonden, de christelijke studente Abby Walsh: „Amerika gaat aan hebzucht ten onder.”

Tegelijk lijkt de globalisering de VS boven het hoofd gegroeid. Talloze banen in de maakindustrie zijn naar lagerelonenlanden verplaatst. De buitenlandse (Chinese) financiering van Amerikaanse schuld maakt het land minder soeverein dan het in de vorige eeuw was. Amerika twijfelt ook aan zijn rol in de wereld. Er is een spraakmakende stroming ‘declinisten’, vervaldenkers. Zoals politicoloog Michael Mandelbaum, die meent dat Amerika niet meer in staat is ‘iets groots’ te bereiken door het ontbreken van een gemeenschappelijke moraal en gebrek aan vertrouwen in de overheid. Declinisten vinden dat de wereld een sterk Amerika nodig heeft. Maar niemand minder dan Obama bleek in 2009 niet meer zo overtuigd van Amerika’s missie in de wereld. Hij geloofde wel in dat Amerikaanse exceptionalisme, zei hij, maar „op dezelfde wijze als, vermoed ik, de Britten geloven in Brits exceptionalisme en de Grieken in Grieks exceptionalisme.” (Toen moesten de verborgen Griekse tekorten nog blijken).

Hoogleraar internationale betrekkingen in Boston Andrew J. Bacevich stelde onlangs een post mortem samen van de Short American Century. Die Korte Amerikaanse Eeuw loopt grofweg van president Wilson, die de Amerikaanse soldaten in de Eerste Wereldoorlog beschouwde als ‘kruisvaarders’ en verkondigde dat zijn land „de hele wereld [deed] geloven in Amerika zoals zij in geen enkele andere natie gelooft”, tot aan George W. Bush, die zijn kruistocht voor vrijheid verdedigde als „de missie waaruit onze natie is voortgekomen”.

De stemming dat de Amerikaanse glans er vanaf is, weerklinkt in de commentaren rond de presidentsverkiezingen. Ook in Europa. Soms krijgt Obama daarvan de schuld, soms heet het dat hij slechts doet wat hij kan, gezien de veranderende verhoudingen. Als Obama Angela Merkel belt, weet de Duitse bondskanselier dat Amerika, met zijn torenhoge staatsschuld en afhankelijkheid van de financiële markten, nu eenmaal vreest zélf getroffen te worden als de eurozone explodeert en de EU implodeert.

Omgekeerd zien Europese leiders lijdzaam toe hoe Amerika zich naar zijn Pacifische zijde keert: daar groeien de bevolkingen, legers, investeringen, schulden, de politieke spanningen en belangen. China levert Amerika zelfs al opvoedkundige vernieuwingen, van veeleisende tijgermoeders tot taallessen op school in het Mandarijn. Geen wonder dat in Europa de vraag wordt gesteld of Amerika nog wel het lichtende voorbeeld kan zijn zoals in de voorbije honderd jaar. De Aziatische eeuw heet begonnen, al weet niemand nog wat die zal brengen.

Maar is dat geen gezichtsbedrog? Je zou bijna vergeten hoe present Amerika nog altijd is, in Europa en elders. Van Pakistan tot Egypte, van Japan tot China spreekt Amerika onverminderd tot de verbeelding: als het land van vrijheid en succes of als het Kwaad. Zoveel verschil maakt het kennelijk niet, de wens uit de Bush-jaren om democratie desnoods met geweld te verspreiden of de minder opzichtige Obama-cocktail van dialoog en drones.

Niemand maakt zich illusies: de militaire en technologische overmacht van de VS is zo groot dat het land voorlopig ongenaakbaar is, ook al is het als leider ‘vanaf de achterbank’, zoals Obama’s medewerkers bepleiten, ook al zijn er verschuivingen die de VS niet kunnen beheersen, van klimaatverandering tot de expansie van China. Ook de omvang en het vernieuwende vermogen van de Amerikaanse economie blijven van de buitencategorie. Of de president in de komende vier jaar nu Mitt Romney heet of opnieuw Barack Obama, hij is de aanvoerder van ’s werelds grootste macht.

De twijfel gaat over de vraag of de Amerikaanse dynamiek nog gepaard gaat met een wereldwijd aansprekend idee van een Good Society. Hollywood, de exportmachine van de American Dream, fabriceert nu dromen uit andere landen. De globalisering is een Amerikaanse uitvinding die de VS zelf dreigt te ontwrichten. Amerikaanse sociale media en technologische vernieuwingen veranderen het publieke leven in de hele wereld, maar het denken over de ethische en politieke gevolgen blijft achter.

De generatie van Spencer Linder staat voor dezelfde vraag als Walter Lippmann in 1937: dé Amerikaanse vraag hoe het individuele streven naar succes samengaat met het streven naar een goede samenleving.