Wie naar de wolken kijkt, ziet extremen

‘Koopkracht keldert tot wel 20 procent’, meldde RTL Nieuws. De CPB-cijfers voorspellen dat voor enkele huishoudens. Maar dat komt niet door het nieuwe beleid.

Afgelopen vrijdag bracht RTL Nieuws verontrustend nieuws over de koopkracht onder het kabinet-Rutte II. Ook op zijn site stond het nieuws in een bericht met de kop: Koopkracht keldert tot wel 20 procent.

„De koopkracht van grote groepen Nederlanders gaat de komende kabinetsperiode veel meer achteruit dan VVD en PvdA beloven. Sommige burgers zullen de komende vijf jaar tot wel 20 procent minder te besteden hebben. Gepensioneerden gaan er tot 25 procent op achteruit en een deel van de mensen met een uitkering moet het zelfs met 30 procent minder koopkracht doen”, viel er te lezen.

Is dit inderdaad zo? Keldert de koopkracht tot wel 20 procent? En geldt dat voor grote groepen Nederlanders, zoals RTL Nieuws suggereert?

Waar is de stelling op gebaseerd?

De beweringen van RTL Nieuws komen voort uit berekeningen die het Centraal Planbureau (CPB) maakte met de plannen uit het regeerakkoord. Maar hoe komt het CPB tot zijn koopkrachtplaatjes? De rekenmeesters gooien bij elke regeringsverklaring (en ook bijvoorbeeld bij het Lenteakkoord en bij verkiezingsplannen van de grote partijen) alle voorgenomen maatregelen in een grote pot. Daar laat het CPB vervolgens allerlei aannames en rekenmodellen op los en vertaalt zo abstracte voornemens van een nieuw kabinet naar de inkomens van Nederlandse huishoudens.

De koopkrachtplaatjes die het CPB presenteert, zijn dus niets meer en niets minder dan een prognose van de voorgestelde inkomenseffecten. Die cijfers worden gecorrigeerd voor inflatie. Hoeveel gaan huishoudens er in reële termen op vooruit of achteruit? Daar gaat het om in de cijfers van het Centraal Planbureau.

De beleidsanalisten maken koopkrachtberekeningen voor 85.000 huishoudens, in totaal een slordige kwart miljoen burgers. Dat doen ze met een simulatiemodel waarmee de inkomenseffecten geschat worden over een periode van vier jaar. Overigens wordt bij de berekeningen uitgegaan van een ‘statische’ toestand: de hoofdkostwinner verandert niet van baan, krijgt geen promotie, wordt niet werkloos of arbeidsongeschikt, gaat niet trouwen of scheiden en wordt zelfs niet ouder.

Het CPB geeft de simulatie van de 85.000 huishoudens weer in zogeheten puntenwolken. In deze grafieken wordt de koopkrachtverandering per huishouden, een percentage per jaar, als punt weergegeven. Zo kun je een indruk krijgen hoe de koopkrachteffecten op individueel niveau uitpakken. Wazige puntenwolken tonen aan dat de verschillen tussen huishoudens ver uiteen kunnen lopen, maar vette vlekken met wat puntjes eromheen, zoals op deze pagina te zien is in de grafiek over uitkeringsgerechtigde alleenstaanden, betekenen weer dat de effecten voor vrijwel alle huishoudens hetzelfde zijn.

Klopt de stelling?

De vraag is nu: is het mogelijk dat sommige huishoudens onder Rutte II met 20 of wel 30 procent in koopkracht achteruitgaan? Het antwoord is eenvoudig: ja, dat is theoretisch mogelijk.

Dat klinkt schokkend, maar dat scenario is al jarenlang zichtbaar in vele koopkrachtplaatjes die het CPB publiceerde. Wie naar de wolken kijkt die begin vorige week bij de doorrekeningen van het regeerakkoord werden geleverd, ziet bij de categorie alleenstaande uitkeringsgerechtigden en alleenstaande gepensioneerden enige verdwaalde stipjes rond de minus 5 procent. Het betekent dat deze huishoudens tot wel 5 procent per jaar koopkracht verliezen, dus 20 procent in een regeerperiode. Ook voor werkenden zijn er uitschieters, maar die zijn kleiner.

Van de 20 procent koopkrachtdaling kan moeilijk gezegd worden dat die het gevolg is van ‘hard saneringsbeleid’ van Rutte II. Wie bijvoorbeeld kijkt naar de puntenwolken bij de doorrekeningen van het verkiezingsprogramma van de PvdA, ziet dat daar ook alleenstaande uitkeringsgerechtigden met een inkomen onder de 25.000 euro er tot wel 4 procent per jaar op achteruit konden gaan.

Hoe uitzonderlijk zijn deze gevallen? Anders dan RTL Nieuws suggereert zijn die extreem uitzonderlijk. Zij zijn per definitie geen maatstaf voor welk regeringsbeleid dan ook. De uitslagen zijn zo bijzonder dat zij ook verklaard zouden kunnen worden uit fouten in het meetmodel. Er moet dus weinig waarde worden gehecht aan zulke uitschieters.

Wel is duidelijk wie deze eventuele pechvogels van Nederland zijn. Ze zijn alleenstaand, werken niet en hebben een jaarinkomen dat onder de 25.000 euro ligt, kortom de huishoudens met de laagste inkomens van Nederland. Overigens bestaan er in de categorie alleenstaande gepensioneerden ook huishoudens die zicht hebben op een koopkrachtstijging van 20 procent of meer. Er bestaan dus eveneens spaarzame geluksvogels.

    • Laura Wismans
    • Jeroen Wester