Koss

NOC*NSF bestaat 100 jaar. Dat werd zaterdag gevierd met een enorme sportparade op Papendal. Iedereen was er: van Epke tot de Prins van Oranje. Maar ik had helemaal geen oog voor hen. Al wekenlang tekende ik hartjes in mijn agenda rondom 3 november. Zwijmelde ik weg bij zijn foto. Door mijn wimperharen heen keek ik naar mijn vriend. Leek hij toch niet een beetje op hem?

Want die zaterdag ging ik Johan Olav Koss zien. De leukste schaatser uit de geschiedenis van het schaatsen. De man die in zijn glimmende rode schaatspak mij totaal betoverde. Ik was zeven jaar oud en bij ons thuis keken we schaatsen. Altijd. Elk EK of WK werd op de voet gevolgd en mijn broers hielden de rondetijden bij, terwijl mijn jongere broertje en ik op onze sokken door de kamer gleden en pootje-over langs de eetkamertafel schaatsten. Het was de tijd van Rintje Ritsma en Falko Zandstra, mannen uit mijn provincie. Ze deden mee om de medailles, maar er was er eentje beter: Johann Olav Koss.

Wij zouden een hekel aan hem moeten hebben, maar volgens mij hield Nederland nog meer van Koss dan van zijn eigen schaatsers. Koss was zo lief en zo beleefd. En zo nu en dan sprak hij een woordje Nederlands. Oh, was hij maar een van ons.

Toen hij op de Olympische Spelen van Lillehammer drie gouden medailles won, interesseerde het me geen bal dat onze mannen genoegen moesten nemen met minder. Koss won en dat was fantastisch.

En nu zat hij op een paar meter afstand. Hij vertelde hoe hij in 1980 Eric Heiden had zien schaatsen. Hoe daar de droom begonnen was. En hoe zijn oma tegen hem had gezegd dat hij dat ook zou kunnen, als hij zou willen. Hij zei dat ieder kind iemand nodig had die in hem geloofde. En ik wilde zeggen: jij was een inspiratie voor mij. Voor jou reed ik op sokken door de woonkamer. En daarna werd ik de allerslechtste schaatser van Friesland. Maar daar gaat het niet om. Jij liet zien hoe mooi sport kan zijn, hoe het kan verbroederen en betoveren. Dankjewel daarvoor.

Maar dat zei ik niet. Ik ging staan, stotterde een obligate vraag en zat daarna met een rood hoofd hem aan te gapen. Johan Olav Koss lachte vriendelijk en beantwoordde mijn vraag geduldig. En na afloop wilde ik meteen op mijn sokken de zaal uit schaatsen. Ik durfde hem niet om een foto te vragen. En daar herken je je echte helden aan. Echte helden durf je na twintig jaar nog steeds niks te vragen.