In het Elysée ontbreekt de lef

President Hollande kan zich vandaag presenteren als een hervormer door de lasten voor bedrijven te verlagen. Maar hij weet dat de linkse kiezer dit niet pikt.

people walk around the gardens of the Elysee presidential palace in Paris on October 28, 2012. The Elysee gardens are now open to the public on the last Sunday of each month . AFP PHOTO BERTRAND LANGLOIS AFP

Parijs. Krap zes maanden zit François Hollande nu in het Elysée en de zorgen in Europa over de socialistische president nemen rap toe.

Lang werd verwacht dat Hollande na zijn aantreden het land snel zou hervormen. En ook Hollande leek daarvan doordrongen. Begin september gaf hij zichzelf in een televisietoespraak twee jaar om Frankrijk te redden van de problemen die hij zelf feilloos benoemde: „Een hoge werkloosheid, verslechterd concurrentievermogen, aanzienlijke tekorten en een historische schuldenlast.”

Maar intussen verslechtert de economische situatie in Frankrijk zo snel dat van zijn verkiezingsbeloftes weinig terechtkomt. „Ze zullen stuklopen op de muur van de economische werkelijkheid”, waarschuwde Gerhard Schröder vorige week. De voormalige Duitse bondskanselier vergeleek Frankrijk met het Duitsland van 2003, toen nog ‘de zieke man van Europa’. Schröder was destijds de leider die de Duitse economie met belastingverlagingen voor het bedrijfsleven en een ingrijpende hervorming van de arbeidsmarkt vlot wist te krijgen.

Centrum-linkse Franse media als Le Monde en Le Nouvel Observateur zien in François Hollande de ‘Franse Schröder’. Maar vooralsnog ontpopt Hollande zich als een ouderwetse Franse socialist. Zo verhoogde hij de belastingen voor het bedrijfsleven al aanzienlijk.

Vandaag krijgt Hollande alsnog de kans zich als hervormer te laten zien. Alle ogen zijn gericht op Louis Gallois, oud-bestuursvoorzitter van luchtvaartconcern EADS, die een rapport presenteert over de concurrentiepositie van het Franse bedrijfsleven. Deze zomer toonde de alom gerespecteerde Gallois zich voorstander van een ‘concurrentieschok’ via lastenverlaging en flexibilisering van de arbeidsmarkt.

Maar toen vorige week uitgelekte delen van het rapport in deze richting wezen, haastten ministers zich om het belang ervan te relativeren. Van een ‘concurrentieschok’ zou geen sprake zijn. De premier opperde een ‘concurrentietraject’.

Daarop roerden de topmannen van l’Association française des entreprises privées (AFEP) zich, de club van de 98 grootste Franse ondernemingen. Het moest wel degelijk een ‘concurrentieschok’ worden en wel in de vorm van een lastenverlaging van 30 miljard euro. Eerder protesteerde het midden- en klein bedrijf al luid. Uiteindelijk stelde Hollande een ‘concurrentiepact’ in het vooruitzicht.

Het is het soort woordspelletjes waarin Hollande excelleert, weet Frankrijk sinds zijn tijd als partijsecretaris van de Parti Socialiste, toen hij hevig bekvechtende stromingen bijeen moest houden. Als president zoekt hij nu naar een manier om de verwachtingen van zijn achterban te verzoenen met de alarmkreten die vanuit het Franse bedrijfsleven klinken.

Hollande weet dat alleen het bedrijfsleven voor economische groei en dus werkgelegenheid kan zorgen. Tegelijk weet hij dat de linkse kiezer een lastenverlichting voor het bedrijfsleven niet zomaar zal pikken, helemaal niet wanneer die daar zelf voor moet opdraaien.

Zo gaat het in Frankrijk nu altijd, zegt publicist Nicolas Baverez, een van de weinige liberale opiniemakers in het land. „Frankrijk bevindt zich al drie decennia lang in een staat van ontkenning”, schreef hij in het onlangs verschenen Réveillez-vous! (Ontwaakt!), een essay waarin hij een sombere balans opmaakt. Frankrijk „moderniseert niet, maar vecht voor het behoud van zijn achterhaalde, door de staat geleide sociaal-economische model”.

Volgens Baverez doet Hollande hetzelfde als voorgaande presidenten van links en rechts. Ze hebben het land niet de globalisering binnengeleid, maar gefunctioneerd als een psychologische hulpverleningsdienst. „Steeds werd de illusie van bescherming tegen de boze buitenwereld in stand gehouden, terwijl intussen de staatsschuld almaar verder opliep.”