Hoe een eerdere olympische droom in rook opging

Het kabinet Rutte II trekt de steun voor het bid voor de Spelen van 2028 in. In 1986 bleek Amsterdam kansloos voor de Spelen van 1992. Een reconstructie van een hele rij miscalculaties.

Amsterdam, juli 1986: burgemeester Ed van Thijn bij bij de onthulling van de Olympische Tram. Foto Maurice Boyer

Anneke le Coultre trekt een vies gezicht als ze vertelt over het pakje condooms dat ze na het overlijden van haar echtgenoot in zijn nachtkastje vond. Hoe kan dat nou? Zij had die nooit gebruikt. Tot er een lichtje ging branden. Natuurlijk, die waren van Saar Boerlage, de Amsterdamse activist die in de beslissende kandidaatsfase van Amsterdam voor de Spelen van 1992 de leden van het IOC condooms had gestuurd. Naast een zakje wiet. Om te accentueren dat een stem op Amsterdam de keus voor een stad van lichte zeden en drugs zou zijn.

Hoe kwam Le Coultre aan dat pakje? Gekregen van het toenmalige Bulgaarse IOC-lid Vladimir Stoitsjev, vertelt de oud-burgemeester van Blaricum, die er als vicevoorzitter van het NOC intensief bij betrokken was. Ze spreekt er nog schande van. Hoe haalde Boerlage het in haar hoofd? Le Coultre had Stoitsjev hiervoor in Sofia met terugwerkende kracht excuses aangeboden. „Nederland is een uit de hand gelopen democratie”, zei ze tegen Stoitsjev.

De condooms van Le Coultre staan symbool voor de mislukte kandidatuur van Amsterdam. De Spelen van ’92 werden op 17 oktober 1986 in Lausanne toegewezen aan Barcelona, de geboortestad van de toenmalige voorzitter Juan Antonio Samaranch. Amsterdam werd met vijf stemmen gereduceerd tot een marginale kandidaat. En dat kwam hard aan bij alle betrokkenen, die van mening waren dat Amsterdam een voortreffelijk ontwerp voor de Spelen had ingediend; zo niet het beste van alle zes plannen – Parijs, Belgrado, Birmingham, Brisbane en Barcelona waren de concurrenten.

Saar Boerlage symboliseerde het kwaad; de vrouw die met duivels genoegen de kandidaatstelling saboteerde. Daar zijn Le Coultre en andere betrokkenen van overtuigd: door Boerlage is Amsterdam de Spelen misgelopen. Of het nu oud-burgemeester Ed van Thijn was of Krijn Reitsma, de toenmalige directeur van de Stichting Olympische Spelen Amsterdam (Stosa), ze geven de activist de schuld.

Dat Boerlage zich verzette, kunnen ze billijken. Maar dat zij, gesteund door links radicalen en de kraakbeweging, zich bediende van anarchistische acties vonden ze onacceptabel. Ze overschreden in Lausanne in hun ogen alle grenzen van betamelijkheid. Ook voelde het onrechtvaardig – uit peilingen was gebleken dat de kandidatuur door 88 procent van de Nederlanders werd gesteund.

Hoe anders zou het zijn gelopen als de politie van Lausanne vóór de stemming had ingegrepen? Van Thijn was dankzij infiltratie in de groep rond Boerlage op de hoogte van de acties. Waarna hij zijn collega van Lausanne persoonlijk inlichtte. „Maar die was alleen coöperatief in woorden, niet in daden.”

Woedend was Van Thijn toen de actievoerders het IOC-hotel belegerden, IOC-leden uitscholden, hen beplakten met stickers met de tekst Olympigs en soms zelfs op de vuist gingen. De politie was nergens te bekennen. Wat leidde tot vele complottheorieën. Van Thijn: „Lausanne is de stad van het IOC-hoofdkantoor. Samaranch was voor ons de locoburgemeester van Lausanne. En Samaranch is van Barcelona.”

Ofwel: Amsterdam kon zo worden geëlimineerd, omdat het een bedreiging voor Barcelona was. Om welke andere reden zou de politie in de IOC-stad niet hebben ingegrepen?

Want hoe roemloos Amsterdam in de eerste stemronde ook werd uitgeschakeld, alle betrokkenen menen dat de kansen onder normale omstandigheden groot waren geweest. Barcelona was mogelijk onverslaanbaar, maar een finale stemronde leek haalbaar. Van Thijn: „We wilden tweede worden om bij een volgende kandidatuur de grote kanshebber te zijn.”

De kansenanalyse was gebaseerd op een computerprogramma dat drie studenten van de Erasmus Universiteit in Rotterdam op verzoek van stichtingsdirecteur Reitsma hadden ontwikkeld. Uit alle informatie en toezeggingen die lobbyisten bij IOC-leden hadden verzameld bleek dat Amsterdam voor velen ver kon komen als het de eerste stemronde zou overleven. Daarvoor was de steun van tien tot twintig IOC-leden nodig. Die was er, omdat ‘Amsterdam’ zijn pijlen op de Afrikaanse IOC-leden had gericht. En die hadden hun stem gegarandeerd, beweert zowel Van Thijn als Reitsma.

Tot zij daags voor de stemming werden geschoffeerd door de actievoerders en hun steun voor Amsterdam introkken. Boos, verdrietig, beschaamd, maar vooral ontgoocheld keerden de delegatieleden terug uit Lausanne. Maar toch ook trots. Zij hadden toch maar binnen twee jaar een prima bid gerealiseerd, gebaseerd op compacte Spelen. Alle accommodaties lagen binnen een straal van vier kilometer, met als centrale plekken het Olympisch Stadion in zuidoost – waar nu de Arena staat – en het congrescentrum RAI voor de binnensporten.

Volgens Van Thijn is de stad door de kandidatuur aantoonbaar gerevitaliseerd. „In die periode zijn de particuliere investeringen verviervoudigd en schoten bouwlocaties als paddenstoelen uit de grond. Veel bedrijven uit binnen- en buitenland vestigden zich in de stad. Daarnaast konden we de ringweg versneld aanleggen en is in Sloterdijk, in plaats van het geplande olympisch dorp, een prachtige woonwijk gerealiseerd. Hard nodig, toen ik aantrad was Amsterdam ingeslapen en lusteloos, met een cynische bevolking en krakersprobleem.”

Ook in retrospectief geen spoor van zelfkritiek. Wel uit andere hoek. Loek Jorritsma, toen hoofd Sportorganisaties op het ministerie van WVC, vindt dat Nederland kreeg ingewreven dat het sportbestuurlijk geen invloed heeft. En Jorritsma kon het weten, hij was door staatssecretaris Joop van der Reijden aangesteld als liaison voor de kandidaatsstelling. Volgens Jorritsma was vooral Stosa van Krijn Reitsma niet geporteerd van een pottenkijker uit Den Haag. „Ik werd overal buiten gehouden. Telkenmale moest ik me proberen in te vechten.”

Dat wijlen Van der Reijden vervelend werd gevonden, beaamt Van Thijn. „Hij haatte Amsterdam en ik kon niet goed met hem overweg. Ik dreef voor onze Haagse belangen op premier Ruud Lubbers. Dankzij hem steunde het kabinet het bid. Weliswaar met slechts zes miljoen gulden – ik rekende op het tienvoudige – en een garantstelling van slechts 250 miljoen gulden, maar als het moest gebruikte Lubbers binnen de ministerraad wel zijn gezag.”

Het heeft Van Thijn mateloos gestoord dat Van der Reijden voortdurend kleine prestigestrijden uitvocht. Bij de presentatie van de Amsterdamse kandidatuur tijdens de Olympische Spelen van 1984 in Los Angeles wilde de staatssecretaris volgens Van Thijn in plaats van hem delegatieleider worden.

Van der Reijdens grootste streek vindt Van Thijn dat hij uit persoonlijke rancune een geur van corruptie rond de kandidatuur verspreidde. De staatssecretaris zou in Lausanne tegen de internationale pers het verhaal hebben verteld dat ‘Amsterdam’ Afrikaanse IOC-leden had omgekocht, door een van hen een studiebeurs voor zijn zoon aan te bieden. Van Thijn: „Onzin. We hebben noch een beurs aangeboden, noch één rooie cent betaald.”

Wat ‘Amsterdam’ wel deed om in het gevlei te komen, was hen uitnodigen voor een bezoek aan de stad. Of hen opzoeken. Aangezien het geld voor reiskosten beperkt was, werden die buitenlandse visites uitbesteed aan externe lobbyisten. Voor Afrika aan Jan Pronk, oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking. Judokampioen Anton Geesink, toen nog geen IOC-lid, werd in Azië op pad gestuurd. En voor de VS werd vaak Johan Cruijff ingeschakeld.

Voor de ontvangst van IOC-leden in Amsterdam bestond een vast programma. De beoogde olympische accommodaties werden bezocht, en de Albert Cuypmarkt. Ter afsluiting volgde dan een ontvangst met diner in de ambtswoning van de burgemeester. En het IOC-lid kreeg een relatiegeschenk, dat volgens Van Thijn het niveau van een stropdas nooit is ontstegen. „Een keer heb ik een aantal IOC-leden per helikopter meegenomen naar de Elfstedentocht.”

Van Thijn heeft weinig plezier beleefd aan die vijftig ontvangsten. „Ik vond het een archaïsche toestand. IOC-leden wilden koninklijk behandeld worden. Samaranch was de supermonarch. Nee, we zijn nooit met ze naar het bordeel Yab Yum geweest, zoals verhalen willen doen geloven. Had ik niet goedgekeurd.”

Het pamperen van IOC-leden bleek nutteloos. Zelfs een voortreffelijk bid, zoals vrijwel alle IOC-leden erkenden, bracht de Spelen na 1928 geen tweede keer naar Amsterdam. Was het vermeende verzoek van Samaranch om met een Nederlandse kandidaat te komen dan toch een strategische zet geweest om de toewijzing aan Barcelona geloofwaardig te maken? Onzin, zegt Le Coultre fel. „Samaranch heeft dat nooit aan Nederland verzocht. De kandidatuur voor de Spelen was geheel mijn initiatief.”

Hoe Le Coultre op het idee was gekomen? Dankzij een afstudeerscriptie van drie Delftse studenten over de mogelijkheid om de Spelen permanent in Athene te houden. In een gesprek met Le Coultre hadden de studenten gevraagd of een dergelijk plan kans van slagen zou hebben. Nee, had ze geantwoord, de Spelen hebben als ideaal de wereld vreedzamer te maken en dat kan alleen zonder een vaste plaats. „Ik dacht: gunst, het zou best goed zijn om de Spelen naar Nederland te halen. Toen ik mijn idee te berde bracht bij het NOC was de reactie: och kind, ga je gang maar het lukt toch niet.”

Le Coultre zette door. Ze vroeg twee van die studenten een ontwerp voor Spelen in Amsterdam te maken. Zo geschiedde. Le Coultre kreeg Van Thijn enthousiast, maar van doorslaggevende betekenis was de bemoeienis van Max Geldens, office manager van het Amsterdamse kantoor van McKinsey. De invloedrijke Geldens zou voorzitter van de raad van beheer worden en hij piloteerde op zijn beurt oud-McKinsey-medewerker Krijn Reitsma tot directeur van de uitvoerende organisatie Stosa.

Mede door Gerrit Wagner, oud-president van Shell, die als adviseur en lid van de raad van beheer aantrad, kreeg de organisatie een sterke inbreng van het bedrijfsleven. „Dat moest wel”, zegt Van Thijn, „omdat we praktisch geen hulp kregen van de overheid en Amsterdam niet het merendeel van de kosten kon dragen.”

Staatssecretaris Van der Reijden stelde de rol van het bedrijfsleven minder op prijs. Hij wilde juist een stevige invloed van zijn ministerie. Oud-ambtenaar Jorritsma: „De regie lag bij die mannen van McKinsey, terwijl een olympisch plan gedragen moet worden door overheid, kandidaatsstad en NOC.”

Bij de presentatie van Amsterdam speelde ook wijlen VVD-politicus Henk Vonhoff een prominente rol. Hij kwam kort nadat alle plannen openbaar waren gemaakt in beeld toen hij NOC-voorzitter werd. Le Coultre kreeg spijt dat ze haar partijgenoot voor het NOC had gevraagd. „Omdat Vonhoff zich na de dood van ons IOC-lid Kees Kerdel opwierp als opvolger. Dat werd niet goed ontvangen.”

Van Thijn kenschetst Vonhoff als „een man met een superego”. Diens voordracht tijdens de IOC-Sessie in Lausanne noemt Van Thijn ongelukkig. „We konden niet om de voorzitter van het NOC heen, maar vier toespraken waren achteraf te veel. ”

Le Coultre weet zeker dat Samaranch Amsterdam als de grootste bedreiging voor Barcelona zag. Want in aanloop naar de IOC-Sessie kreeg ze onverwacht bezoek van het Zweedse IOC-lid en Samaranch-vertrouweling Gunnar Ericsson. Le Coultre: „Die vroeg of wij de kandidatuur van Amsterdam wilden intrekken. In ruil daarvoor zou een Nederlandse stad vier jaar later de Spelen toegewezen krijgen. Daar geloofde ik geen sikkepit van.”

Dit is een ingekorte versie van een hoofdstuk uit het boek 100 jaar Nederlands op de Olympische Spelen waarvan het eerste exemplaar zaterdag is overhandigd aan kroonprins en IOC-lid Willem Alexander. Uitgeverij Arko Sports Media.