Twee aan elkaar gelaste roestige wrakken

Twee noodlijdende kranten moesten in 1970 fuseren. Pien van der Hoeven promoveerde deze week op de fusie van de Rotterdamse NRC en het Amsterdamse Algemeen Handelsblad. „De Amsterdammers hebben gewonnen.”

Henk Hofland zag het niet zitten. Moest zijn krant, het Amsterdamse Algemeen Handelsblad, écht fuseren met die oubollige Nieuwe Rotterdamse Courant? Dat kon toch nooit wat worden? Tijdens een van de fusiebesprekingen in het begin van 1970 zat hij te droedelen. Hij tekende twee schepen die vergingen. Volgens hem was de samensmelting van de twee liberale avondbladen te vergelijken met het aan elkaar lassen van twee roestige wrakken op volle zee bij windkracht 10.

Zijn doemdenken leek terecht. Aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw stonden de NRC en het Algemeen Handelsblad aan de rand van de afgrond. Lezers en adverteerders liepen weg. Pogingen tot redactionele vernieuwingen bij het Algemeen Handelsblad hadden die trend niet kunnen keren. Integendeel: de meer conservatieve abonnees zegden op, nieuwe aanwas bleef uit.

De Nederlandse Dagblad Unie (NDU), eigenaar van beide kranten, was niet langer bereid de verliezen voor zijn rekening te nemen en dwong de door Hofland gevreesde fusie af. En wat alleen de grootste optimist had durven hopen, gebeurde: NRC Handelsblad werd een succes. Vanaf 1973 maakte de krant winst en in 1975 werd de magische grens van 100.000 abonnees bereikt.

Pien van der Hoeven, universitair docent journalistieke cultuur en media aan de Rijksuniversiteit Groningen, promoveerde donderdag aan de Universiteit Leiden op het proefschrift Het succes van een kwaliteitskrant, waarin ze de bewogen wordingsgeschiedenis van NRC Handelsblad beschrijft en analyseert. Haar promotie is deels gefinancierd door NRC Handelsblad, maar Van der Hoeven neemt geen blad voor de mond. Ze velt stevige oordelen over grote namen uit de geschiedenis van de krant, onder wie Hofland en Lex Stempels, de laatste hoofdredacteur van de NRC.

„Ik kom uit een echte NRC-familie”, vertelt ze in de studeerkamer van haar Haagse woning. „Mijn familie van moederskant verdiende haar geld in de Rotterdamse haven. Ik was het zwarte schaap, omdat ik geen rechten in Leiden ging studeren. Het werd geschiedenis in Amsterdam. Daar speelde mijn leven zich af in de buurt van de Nieuwezijds Voorburgwal, de Fleet Street van Amsterdam. Ik raakte er gefascineerd door de geschiedenis van de Amsterdamse journalistiek.”

Folkert Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad tussen 1996 en 2006, vroeg Van der Hoeven in 1999 of ze het ontstaan van de krant aan een wetenschappelijk onderzoek wilde onderwerpen. Ze stemde toe, hoewel ze wist dat het een moeilijke klus zou worden. „Door alle verhuizingen was veel van het archiefmateriaal kwijtgeraakt. Ik vroeg me af of ik genoeg papieren bronnen zou vinden, want ik wilde me niet alleen verlaten op interviews met de hoofdrolspelers. Het menselijk geheugen is te onbetrouwbaar om er een historisch onderzoek aan op te hangen.”

Van der Hoeven vond tot haar opluchting voldoende archiefmateriaal, waaronder notulen van de raad van commissarissen van de NDU. Daarnaast sprak ze uitgebreid met bekende redacteuren als Hofland, Jérôme Heldring, Jan Blokker, Hans van Mierlo en André Spoor. En om inzicht te krijgen in de dagelijkse praktijk van een dagblad had ze gedurende enkele jaren een eigen kamer op de Haagse redactie van de krant, naast die van Heldring. „Maar ik zorgde ervoor dat ik altijd de buitenstaander bleef, mijn omgeving observerend.”

Het proefschrift van Van der Hoeven begint met de beschrijving van ontstaan en de teloorgang van de NRC en het Algemeen Handelsblad. Door de opkomst van tv-reclame stonden bij beide kranten de advertentieopbrengsten zwaar onder druk. Daarnaast waren de lezers ontevreden, zij het om verschillende redenen. De NRC teerde op oude glorie, zegt Van der Hoeven. „Dat kwam vooral door het optreden van Stempels. Hij hield alle vernieuwing tegen, waardoor de krant steeds meer een anachronisme werd.”

Nieuws vond Stempels niet belangrijk, bleek uit een interview in 1968. „Wij hebben niet de behoefte een primeur een opvallende plaats en aandacht te geven, alleen maar omdat het een primeur is”, zei hij. „Wij zullen bovendien nieuws dat wij niet volledig of voldoende betrouwbaar achten, rustig een dag laten staan.” En de lezer? Die moest eten wat de pot schaft. „Wij zoeken uit wat de lezers hoort te interesseren. Als ze het niet willen lezen, geven we het toch.”

Pas nadat zijn adjunct Heldring Stempels van zijn troon stootte, werd NRC moderner. Maar toen was het al te laat voor de krant. Van der Hoeven oordeelt hard over de rol van Stempels. „Als parlementair redacteur was hij geweldig. En voor de buitenwacht was hij dé mister journalistiek van Nederland. Hij werd alom gerespecteerd. Maar hij hield de krant in een kramp. Als hoofdredacteur heeft hij gefaald.”

Het Amsterdamse Algemeen Handelsblad had zo zijn eigen problemen. De krant bevond zich in het hart van de culturele revolutie die in de jaren zestig over Amsterdam spoelde. Sommige redacteuren moesten van deze veranderingen niets hebben, maar de jongere medewerkers deinden mee op de golven van de tijd. Talenten als Henk Hofland, Jan Blokker en Hans van Mierlo kregen daarvoor de ruimte van hoofdredacteur Chris Steketee. Veel lezers van de krant, conservatieve liberalen, waren van deze nieuwlichterij echter niet gediend.

Van der Hoeven is enthousiast over de journalistieke ontwikkelingen die zich aan het eind van de jaren zestig voordeden op de redactie van het Algemeen Handelsblad. „Er was positieve aandacht voor zaken als de provobeweging, moderne cultuur en de opkomst van een beweging als D66. Dat laatste was natuurlijk niet verwonderlijk, omdat er behalve Van Mierlo meer redacteuren bij de partij betrokken waren. De eigenaren en veel lezers waren meer VVD-types.”

Hoofdredacteur Steketee heeft in de geschiedschrijving van de Nederlandse pers tot op heden niet de lof gekregen die hij verdient voor de vernieuwing die zich onder zijn leiding bij het Algemeen Handelsblad voltrok, vindt Van der Hoeven. „Hij moderniseerde de vormgeving van de krant en de wijze waarop er werd geschreven. Er was één probleem: hij was er zijn publiek te ver mee vooruit.”

Dat bleek wel uit de talrijke opzeggingsbrieven die de krant bereikten. Zo beëindigde lezer L.F. Luijkx in april 1962 zijn abonnement uit ergernis over de „gangstervarkens” met hun „plebejische levensopvattingen” die volgens hem de burelen van de pers en ook de redactie van het Algemeen Handelsblad bevolkten.

Een andere persoon die van groot belang is geweest voor de modernisering van de krant is Jan Blokker, aldus Van der Hoeven. Blokker was vanaf 1954 in dienst van het Algemeen Handelsblad. Met lede ogen zag hij aan hoe het voortbestaan van zijn krant werd bedreigd. In 1967 zat hij een commissie voor die belangrijke vernieuwingen bepleitte.

De krant, aldus de commissie, werd al naar gelang de toevallige, individuele hobby’s van de redacteuren samengesteld. Dat moest veranderen. Vooral de economiepagina’s kregen ervan langs. Daar had „het eenzijdige beurshobbyisme” tot gevolg dat het Handelsblad slechts incidenteel berichtte over bredere (sociaal-)economische onderwerpen.

De in 1967 aangetreden nieuwe directeur van het Algemeen Handelsblad gebruikte het rapport om Steketee de laan uit te sturen. „Dat was een drama voor Blokker, omdat hij juist achter zijn hoofdredacteur stond”, zegt Van der Hoeven. „Dat Blokker kort hierna de krant verliet, was het directe gevolg van dit ontslag én van de samenwerking met De Telegraaf op bedrijfsmatig gebied.”

De directie van de NDU was blij dat ze van Steketee af was. Ook de Amsterdams commissarissen binnen het concern vonden de hoofdredacteur te progressief. Van der Hoeven: „De ironie was echter dat Steketee werd opgevolgd door Hofland, de ‘opperprovo’ van de Amsterdamse redactie.”

Onder Hoflands bewind ging het de krant niet beter af en uiteindelijk vond na de zakelijke samensmelting van 1964 in 1970 ook de redactionele fusie plaats. Volgens Van der Hoeven was Hofland niet zo belangrijk voor de journalistieke vernieuwingen die bij het Handelsblad zijn doorgevoerd als wel wordt aangenomen. „Hij is een ontzettend geestige, briljante man, met een brein dat borrelde van de ideeën, en hij kon goed schrijven, maar hij kreeg niet echt iets gedaan. Het ontbrak hem aan de Peter Vandermeersch-factor, zal ik maar zeggen. De drive om echt dingen te veranderen. Daarmee heeft hij mensen teleurgesteld.”

De fusie van de twee kranten tot NRC Handelsblad was niet tot genoegen van beide redacties. De in net pak gestoken NRC-redacteuren zagen hun hip geklede Amsterdamse collega’s met afgrijzen het redactiepand in Rotterdam betreden. Hoofdredacteuren Heldring en Hofland wisten niet goed wat ze aanmoesten met de situatie. Dat de fusiekrant toch een succes werd, schrijft Van der Hoeven vooral op het conto van André Spoor.

Spoor had bij de NRC gewerkt voordat hij correspondent werd van de regionale kranten. Daar deed hij het idee op voor een quality newspaper, een krant voor de goed opgeleide bovenlaag van de maatschappij en die uitsteeg boven het toenmalige niveau van de journalistiek. Spoor was in 1969 naast Hofland hoofdredacteur geworden van het Algemeen Handelsblad en werd na de fusie een van de drie hoofdredacteuren van NRC Handelsblad. „Zonder Spoor was het niet gelukt”, zegt Van der Hoeven.

Nadat Heldring en Hofland in 1972 als hoofdredacteuren vertrokken waren, had Spoor het alleen voor het zeggen. Hij liep elke dag met een rood potlood de krant na. De redactie werd gewaarschuwd dat de krant niet moest lezen als „een arrest van de Hoge Raad”. Beetje bij beetje begon het nieuwe dagblad het predicaat ‘kwaliteitskrant’ te verdienen. De concurrentie, die zich aanvankelijk nog regelmatig vrolijk kon maken om de uitglijders van NRC Handelsblad, had allengs minder reden tot lachen.

Aanvankelijk leidde het regime van Spoor nog niet tot meer lezers, maar na drie jaar kwam de kentering, mede door de instroom van abonnees van het ter ziele gegane katholieke dagblad De Tijd. Ook de tijdgeest zat nu mee. Het groeiende aantal mensen dat hoger onderwijs volgde, zorgde voor een grotere potentiële lezersschare. De manier van journalistiek bedrijven die het Algemeen Handelsblad nog in grote problemen had gebracht, bleek nu steeds beter aan te slaan. De ‘Amsterdamse’ journalisten wonnen dan ook de inhoudelijke machtsstrijd op de krant, zegt Van der Hoeven. „Terwijl de krant met Rotterdams geld overeind was gehouden. Wat dat betreft maakt de aanstaande verhuizing van de redactie naar Amsterdam de overwinning van die stad compleet.”

Doordat ze gezondheidsproblemen had, liep het proefschrift vertraging op. Intussen overleden veel van de hoofdrolspelers uit haar boek: Van Mierlo, Blokker, Steketee en in september ook André Spoor. „Het verdwijnen van die mensen heeft als een donkere wolk boven mij gehangen”, zegt ze. „Ik voelde me schuldig omdat ik na al die jaren nog niet geleverd had wat besteld was.”

André Spoor heeft het boek nog gelezen, twee weken voordat hij overleed. Hij woonde bij Van der Hoeven in de buurt en ze heeft het typoscript bij hem langs gebracht. „Spoor heeft de krant gemaakt tot wat hij is geworden. Ik ben zo blij dat hij het nog gelezen heeft. Hopelijk heeft hem dat een zekere rust gebracht.”

Pien van der Hoeven: Het succes van een kwaliteitskrant; De ontstaansgeschiedenis van NRC Handelsblad. Prometheus, 544 blz. € 29,95