Rookwolken en dwaalsporen

Nepwetenschap

Vrije-marktadepten vallen onwelkome boodschappen aan. Kwaadaardig en met valse informatie.

Een kwart van de Amerikanen denkt dat de relatie tussen roken en longkanker nooit is bewezen, dankzij de twijfel die is gezaaid door aanhangers van de vrije markt. Foto Reuters

Veertig procent van de Amerikanen gelooft nog steeds dat de broeikastheorie omstreden is. Een kwart denkt dat de relatie tussen roken en longkanker nooit is bewezen. Veel Amerikanen hebben jarenlang geloofd dat vulkaanuitbarstingen een grotere bedreiging vormen voor de ozonlaag dan de chloorverbindingen uit spuitbussen en oude koelkasten. Dat de aarde na een ‘all out’ kernoorlog in een dodelijke nucleaire winter zou terecht komen was onzin. Het zou hoogstens een frisse herfst worden. En zure regen, die was er altijd al.

Een mysterie. Geen land ter wereld waar de wetenschap zo bloeit als Amerika. Maar geen land ook waar de uitkomsten van de wetenschapsbeoefening zo stelselmatig en kwaadaardig worden ondermijnd, bedreigd en aangetast als Amerika. Zeker als het gaat om milieu en gezondheid. Al rond 1955 wisten tabaksfabrikanten dat je van tabaksrook kanker kon krijgen, maar tot in de jaren negentig konden ze het blijven ontkennen. Al rond 1970 was evident dat de gestage uitstoot en ophoping van CO2 het klimaat zou veranderen. Chloor uit spuitbussen kon de ozonlaag verwoesten. Allemaal overtuigend Amerikaans onderzoek. Toch duurde het keer op keer vele jaren, soms zelfs decennia, voor de nieuwe inzichten door het Amerikaanse publiek en zijn regering werden geaccepteerd.

Hoe is dit in hemelsnaam mogelijk – en kan het ons in Europa ook overkomen? Dat is uitgezocht door de Amerikaanse historici Naomi Oreskes en Erik Conway. Na vijf jaar research publiceerden ze in 2010 de uitkomsten van hun werk in Merchants of doubt. Zeven casussen en een leesbare conclusie aan het eind. Onthullend, onthutsend maar voor de Europeaan met de troost: hier is dat allemaal minder waarschijnlijk.

Hoe kwam het dat de risico’s van tabaksrook, de nucleaire winter, zure regen en CO2-uitstoot pas zo laat als reële gevaren tot het Amerikaanse publiek doordrongen? Omdat een kleine groep conservatieve fanatici stelselmatig twijfel zaaide aan de betrouwbaarheid van het onderzoek dat de risico’s aantoonde. Zij verspreidden opzettelijk averechtse informatie. Zij vielen geaccepteerde uitkomsten aan met welluidende tegenargumenten – die volstrekt niet ter zake deden. Brachten wetenschappers in diskrediet. Verdraaiden beweringen, misbruikten statistiek. Trokken kortom alle debattrucs uit de kast die ze vinden konden.

Veel mensen die een leven lang zwaar rookten kregen geen longkanker. Veel mensen die nooit rookten kregen wel kanker. Dus hoe eenduidig kan het verband tussen roken en kanker zijn? Dat is ongeveer het niveau. Soms met regelrechte leugens: het gat in de ozonlaag was er al lang voor er chloorhoudende drijfgassen geloosd werden. Drijfgassen kunnen de ozonlaag helemaal niet bereiken. De aard van de gehanteerde argumenten is ook wel bekend van de debatten in Europa, bij voorbeeld van het optreden van de Deen Bjørn Lomborg (die zijn tegenargumenten overigens vaak beter onderbouwt dan de Amerikanen), maar de hardnekkigheid, listigheid en onbeschaamdheid waarmee de desinformatie in de VS werd verspreid is van een aparte klasse. En het werkt.

‘Think tanks’

Dat is punt één: er is een enorm reservoir aan conservatieve of reactionaire Amerikanen die op elk willekeurig moment bereid zijn nieuwe onprettige wetenschappelijke inzichten met volle inzet te attaqueren. Soms zitten ze al in ‘de administratie’ en is hun succes verzekerd, soms vertegenwoordigen ze een bedrijf, soms opereren ze geheel op eigen titel, maar altijd kunnen ze rekenen op materiële of publicitaire steun van de tientallen conservatieve ‘think tanks’ waaraan Amerika zo rijk is: het Cato Institute, het Heartland Institute, het American Enterprise Institute, het Competitive Enterprise Institute, de Heritage Foundation, het Hoover Institute, het Independent Institute, het Marshall Institute. Niet zelden schuift ook, onzichtbaar voor het publiek, geld voor het goede doel in de juiste richting. Van Exxon Mobil, van Philip Morris, you name it.

Beruchte querulant

Het tegengeluid wordt altijd als wetenschap verpakt. Het wordt verstuurd alsof het van de National Academy of Sciences komt, het wordt gepubliceerd in een blad dat er wetenschappelijk uitziet (met échte peer review) of gepresenteerd op een zelf georganiseerd symposium. Dat het geen wetenschap is, maar opinie of wishful thinking of gewoon bedrog is vaak lastig te zien.

Waarom doen ze het, deze mensen, wat beweegt ze? Liefde voor de vrije markt. Oreskes en Conway hebben het haarfijn uitgezocht en goed gedocumenteerd. Het is een felle liefde voor de vrije markt en een diep wantrouwen jegens milieu-onderzoekers en milieubeschermers die de ongebreidelde productie en consumptie van goederen proberen af te remmen. Afkeer van de lui die de overheid elke keer tot nieuwe regelgeving proberen te verleiden. De beruchte querulant Fred Singer, actief in de dossiers nucleaire winter, zure regen, ozon en broeikaseffect, heeft het in 1989 onverbloemd verwoord. “Ze zeggen dat ze het milieu willen beschermen, maar willen ons economisch systeem veranderen. Er zitten socialisten onder. Sommigen hebben een afkeer van technologie. En ze willen reguleren, op een zo groot mogelijke schaal.” De conservatieve tegenbeweging, voor alle duidelijkheid, gaat er juist van uit dat het vrije markt systeem steeds op tijd de juiste technologische oplossingen vindt. Want dat was tot dusver altijd het geval.

De Fred Singers c.s. vinden makkelijk gehoor omdat het meestal zelf gerenommeerde wetenschappers zijn, zij het in een ander discipline dan de discipline waarop ze hun aanvallen richten. En vaak zijn het ook trouwe vaderlanders, Cold Warriors die werkten in de kernwapen- en raketindustrie. Communistenvreters.

Maar dat is niet alles. Onder de Amerikaanse media leeft nog altijd het gevoel dat zij in controverses, of in zaken die als controverses worden voorgesteld, verplicht zijn tot balanced reporting. Dat ze voor de verschillende gezichtspunten evenveel tijd en ruimte moeten inruimen. Decennia geleden, in 1949, werd het radio- en tv-stations in een wet dwingend opgelegd: de Fairness Doctrine. In de loop van de jaren tachtig is de doctrine weer losgelaten, maar de reflex is blijven bestaan, schrijven Oreskes en Conway. Zelfs een krant als de New York Times heeft tijdenlang evenveel aandacht besteed aan de standpunten van de klimaatsceptici als die van de main stream klimaatwetenschappers.

Het grootste raadsel is misschien wel waarom Amerikaanse wetenschappers zich niet feller verdedigen tegen alle onheuse aanvallen. Wat dat betreft komen de twee historici vreemd genoeg niet tot heldere conclusies. ‘We zijn te druk om op alle onzin te reageren’, hebben ze gebromd, maar dat kan het niet zijn, natuurlijk. Dat moderne wetenschap altijd teamwork is en dat vaak niet duidelijk is wie van het team moet reageren: ook niet. Dat ze onvoldoende bedreven zijn in de omgang met de media? Onzin. Het moet wel die sluimerende vrees zijn om in een vuile politieke discussie getrokken te worden, waarin ze uiteindelijk van on-Amerikaans gedrag worden beticht. Het overkwam wetenschappers in de aanloop naar de tweede Irakoorlog en het was al eerder gebeurd in de tijd van het McCarthyisme. Het is niet de drukte, het is angst.