Romney versus Obama

Uitdager Mitt Romney gunt hem geen tweede termijn en gokt op de desillusie. De eerste ambtstermijn van president Barack Obama heeft immers niet opgeleverd wat een deel van zijn 70 miljoen kiezers verwachtten. Dat ligt ook voor de hand. In 2008 won hij als kandidaat van de ‘hoop’. Hij leek een verlosser, geen mens. Maar Obama bleek wel een mens, met alle politiek feilen van dien. De slotbalans is dus gemengd.

Een aantal beloftes heeft Obama niet ingelost. Het energiebeleid is nu weliswaar diverser, maar het land zal in 2020 nog steeds afhankelijk zijn van olie uit het Midden-Oosten. Het socialezekerheidsstelsel is niet verder verankerd. De begroting is niet opgeschoond. De meest schreiend geschonden belofte gaat om Guantánamo Bay. Het detentiekamp waar terrorismeverdachten zonder proces gevangenzitten, is nog steeds open.

Maar Obama heeft niet stilgezeten. Ondanks zijn gebrek aan ervaring met buitenlandse politiek – hij was bij zijn verkiezing in 2008 krap vier jaar senator in Washington geweest – heeft hij zich als opperbevelhebber laten gelden. Obama heeft de inzet van Amerikaanse militairen in Irak afgewikkeld en een exitstrategie uitgezet voor Afghanistan. Zij het dat de thuiskeer van de ‘jongens’ wel heeft geleid tot een groeiende inzet van drones, onbemande vliegtuigjes.

Zijn belangrijkste wapenfeit in de rol van opperbevelhebber was de opsporing en liquidatie van Osama Bin-Laden. Republikeinen vallen het buitenlandbeleid van Obama in het Midden-Oosten fel aan, vooral zijn lichte distantie tot de huidige regering in Israël. Maar de actie tegen de grondlegger van Al Qaeda kritiseren ze niet.

Het is de reformist Obama die bij de Republikeinen de meeste weerzin oproept. En soms zelfs haat, als het gaat om immateriële kwesties als de samenstelling van het Hooggerechtshof of het formeel openstellen van leger en huwelijk voor homoseksuelen.

Het nieuwe zorgstelsel, dat hij net op tijd door het Congres wist te loodsen, is een van de ingrijpendste sociale hervormingen sinds de Great Society van Lyndon Johnson (1963-1968). Voor Europeanen is collectiviteit in de gezondheidszorg gesneden koek, voor Amerikanen een ideologisch twistpunt.

Zijn economische stimuleringsbeleid heeft geleid tot een groei van 2 procent dit jaar en het behoud van 2,5 miljoen banen. Deze semi-Keynesiaanse politiek is in Amerika is voor de radicalere oppositie, van Tea Party tot Libertarians, aanleiding om Obama een „socialist” te noemen.

Deze politiek van staatsinterventie domineert nu de campagne. Zowel Obama als Romney concentreert zich op de economie. Door het Amerikaanse kiesstelsel, dat uiteindelijk draait om het grootste aantal kiesmannen, spitst deze economisch gedreven campagne zich de laatste dagen toe op zeven swingstates. Met name op Ohio, omdat de kandidaat die daar wint gewoonlijk het presidentschap binnensleept, hoewel het qua inwonertal slechts de zevende staat is.

Wanneer als gevolg van orkaan Sandy er ook nog eens een lagere opkomst aan de dichtbevolkte oostkust zal zijn, kan het systeem ertoe leiden dat de komende president wel de meerderheid van de 538 kiesmannen maar niet van de 220 miljoen kiezers haalt.

De focus op de economie doet recht aan de diepte van de crisis waarin Amerika nu al vijf jaar verkeert. Het draait in de VS voor jong én oud om werk, koopkracht, huisvesting en onderwijs. En dus om de vraag wat de federale overheid doet aan investeringen, belastingtarieven, bankregulering, socialezekerheidsvoorzieningen en diplomacurricula. Duurzaam economisch herstel is bovendien voor de hele wereld van belang en dus betekenisvoller dan, pakweg, het referendum in Florida over de vraag of de voorzitter van de studentenbond nog in het bestuur van de universiteit mag zitten.

Een ander effect van dit primaat van de economie is dat de kandidaten de laatste maanden wat meer het politieke midden hebben opgezocht, omdat daar de meeste zwevende kiezers zijn te winnen. Zeker Romney laat zich van zijn gematigde kant zien. Zozeer zelfs dat het er wel eens op lijkt dat Romney zelf ook zweeft. Niemand kan voorspellen hoe de Republikeinen zich na de verkiezingsdag opstellen. Dat hangt af van de uitkomst. De verhoudingen zijn hoe dan ook nog steeds scherp gepolariseerd. Maar deze (tijdelijke) trek naar het midden is mooi meegenomen.