‘Overweldigend, die grote bibliotheken in de VS’ Holland en de VS: zij kennen het verschil

Dubbelsterren

Nogal wat Nederlanders weten hoe het is om aan een Amerikaanse universiteit te werken. Drie Utrechters praten over de ondernemingszin, het optimisme en de creativiteit in de VS.

Afstudeerceremonie aan de Columbia University in New York Getty Images

Leonard V. Rutgers, historicus en archeoloog, is sinds 2003 hoogleraar Late Oudheid aan de Universiteit Utrecht. Van 1989 tot 1993 deed hij promotieonderzoek aan Duke University in Durham (North Carolina), een Amerikaanse topuniversiteit. Hij promoveerde bij godsdiensthistoricus Eric Meyers op de dissertatie The Jews of Late Ancient Rome.

“De infrastructuur van de top schools in de VS is geweldig”, vertelt hij. “Ze hebben enorme budgetten, krijgen schenkingen van particulieren waarmee ze hun endowments [eigen vermogen] uitbouwen en kopen zich blind aan boeken. Het is overweldigend wat die grote onderzoeksbibliotheken allemaal hebben. In Rome, waar ik het archeologische deel van mijn promotieonderzoek deed, zijn goede, gespecialiseerde bibliotheken, maar daar moet je pendelen van de ene naar de andere – en dan maar hopen dat ze hebben wat je zoekt. Duke bleek tot mijn verbazing alles te hebben en alle gespecialiseerde bibliotheken, zowel over archeologie als over joodse geschiedenis, bevonden zich in één gebouw.

“Wat me enorm aanstaat in de Amerikaanse onderzoekscultuur is de openheid voor nieuwe ideeën. Je kunt goed merken dat de Verenigde Staten een land zijn van entrepreneurs. Die geest heerst ook aan Amerikaanse universiteiten: dát gaan we doen, geweldig idee. Als het mislukt, hebben we het in ieder geval geprobeerd. In Europa – en hierin steekt Nederland nog gunstig af – is de onderzoekscultuur veel terughoudender tegenover alles wat nieuw is.

“Een voorbeeld. De Amerikaanse godsdienstsocioloog Rodney Stark heeft veel onderzoek gedaan naar het ontstaan van religieuze bewegingen in de twintigste eeuw. Op een gegeven moment raakte hij geïnteresseerd in de opkomst van het christendom en schreef hij daar een boek over, The Rise of Christianity: A Sociologist Reconsiders History, waarin hij sociologische modellen losliet op de Oudheid. Dat boek sloeg in Amerika in als een bom, iedereen las het en had het erover. In Europa is het onmiddellijk afgeserveerd. Ik vermoed vanwege het theoretische karakter, de nadruk op de grote lijn.

“We zijn in Europa sneller geneigd te zeggen: alles goed en wel, maar de facts on the ground moeten wel kloppen. Een goede onderzoeker moet allebei kunnen. Hij moet vrij kunnen denken, want daarin schuilt een vernieuwende kracht, én hij moet alles op orde hebben: talenkennis, beheersing van de bronnen. Wat dat aangaat vullen Europa en de VS elkaar goed aan, in ieder geval in mijn vakgebied.

“Wat beter werkt in de VS dan in Nederland is de financieringsstructuur. We worden in Nederland steeds verder afgeknepen. Dat is een slechte ontwikkeling, want we leven in een kenniseconomie en de concurrentie zal op dat terrein worden uitgevochten. In de VS doen universiteiten voortdurend aan fondsenwerving. Er is dan ook meer geld en dat maakt alles veel gemakkelijker.

“Het is in de VS ook makkelijker om fondsen aan te boren buiten de universiteit. Toen ik begon met mijn onderzoek naar de joodse catacomben in Rome en C14-dateringen wilde doen, had ik een mecenas in New York, een ondernemer die al eerder aan filantropische projecten geld had gegeven. Een keiharde zakenman, dat wel. Ik ging naar de 30ste verdieping van een wolkenkrabber in Lower Manhattan en werd binnengelaten in de directiekamer. Daar deed ik mijn pitch: dat wil ik doen, daarom is het belangrijk en dat kost het. Hij zei: ‘You know, Leonard, er zijn al vijf bibliotheken die mijn naam dragen, dat is wel genoeg. Laat we dit nu maar eens doen’. Ik kreeg een smak geld en hij had in feite zijn eigen opgraving in Rome. En hij kreeg waar voor zijn geld, want het leidde tot een publicatie in Nature.

“Toch is het, gezien de relatief beperkte middelen, opvallend dat Nederlandse wetenschappers zo goed meekomen in het internationale onderzoek. En dat ligt aan het onderwijs. Ons middelbaar onderwijs is al beter, de startkwalificatie van de Nederlandse eerstejaars is gemiddeld hoger dan die van hun Amerikaanse leeftijdgenoten. Je hebt natuurlijk die elitaire prep schools, die voorbereiden op Harvard en Yale, en dat maakt vergelijken moeilijk. Er zijn goeie universiteiten, waarmee wij ons graag vergelijken, maar je hebt ook humpty dumpty colleges in Iowa. Die zijn in de verste verte niet te vergelijken met onze hbo-opleidingen, laat staan met onze universiteiten, maar ze heten wel university.”