Ook de American Dream zelf is versleten

De Verenigde Staten kampen met achterstallig onderhoud van de crisis. Op vrijwel alle gebieden: de werkloosheid, de sociale mobiliteit, de sociale uitgaven, het monetaire beleid en de overheidsfinanciën.

19 Feb 2009 --- Stars and stripes flags fly on the New York City Stock Exchange. --- Image by © Matt Mawson/Corbis © Matt Mawson/Corbis

Volgens het boekje – zo zijn de Amerikanen de afgelopen vier jaar de kredietcrisis te lijf gegaan. Volgens henzelf dan, want in Europa wordt er, zeker in Duitsland, heel anders over de aanpak gedacht: de broekriem aanhalen, het vertrouwen behouden van de financiële markt door zuinig aan te doen en mikken op een vertrouwensherstel van burgers en bedrijven daarna.

In Washington is een heel ander beleid gevoerd. De banken zijn kort na de kredietcrisis al door rigoureuze stresstests gejaagd en hun vermogen is opgehoogd. De regering en centrale bank, nog nét onder de vorige president George W. Bush, kwamen vrijwel meteen met een opkoopprogramma van wrakke leningen en financiële producten, het zogenoemde Troubled Assets Relief Program (Tarp).

De auto-industrie werd met miljardensteun van de afgrond weggetrokken. De officiële rentevoet ging vrijwel meteen naar nul procent, en het monetaire beleid werd opgevolgd met een golf van steunaankopen van staatsobligaties en andere relevante leningen om ook de langer lopende rentes laag te houden. En, misschien wel het belangrijkst, de federale begroting werd ingezet als macro-economisch instrument.

Kredieten van bedrijven en vooral van consumenten waren hoog opgelopen door de financiële boom en de huizenhausse. De spaarquotes (het percentage dat mensen sparen van hun inkomen) zouden omhoog moeten om de schulden af te bouwen. Daar moest, nogmaals volgens het boekje, een oplopend tekort van de overheid tegenover staan om een massale vraaguitval in de economie te voorkomen.

Zo geschiedde. Het Amerikaanse begrotingstekort is nu, met bijna negen procent van het bruto binnenlands product 2012, bijna tweemaal groter dan het gemiddelde van de eurozone. En de staatsschuld is inmiddels opgelopen tot bijna 110 procent – ook dat is een tiende hoger dan het Europese gemiddelde.

Onder president Obama is een ernstige recessie dan ook voorkomen. Het spook van deflatie, het structureel dalen van de prijzen zoals in de jaren dertig, is voorlopig verjaagd – en, reëel of niet: dat werd in de Verenigde Staten gezien als een nachtmerriescenario. Het werkloosheidspercentage dook vlak voor deze verkiezingen weer onder de 8 procent; het niveau waarop Obama begon. Dit jaar stevent de Amerikaanse economie bovendien af op een groei van 2 procent. Voor Amerikanen is dat weliswaar nog steeds ondermaats, maar Europa zou er op dit moment een moord voor doen.

Het grote verschil is dat Amerika, met één machtscentrum, sneller en daadkrachtiger heeft kunnen handelen. Niet dat de regering Obama ook alles heeft kunnen en mogen waarmaken – zeker niet. De Republikeinse meerderhei d in het Huis van Afgevaardigden en een blokkerende minderheid in de Senaat zorgden ook in de VS voor vertraging en frustratie. Zie de zomer van vorig jaar, toen een verhoging van het Amerikaanse plafond voor de staatsschuld – normaal een hamerstuk in het Congres – opeens inzet werd van een felle politieke strijd. De kwestie werd, met een wankel compromis, tot na de komende verkiezingen uitgesteld.

Zo is, vier jaar na de kredietcrisis en bij de aanvang van een nieuwe regeerperiode, met alle beschikbare middelen een economische meltdown voorkomen. Maar nu komen de jaren van het achterstallig onderhoud. Dat geldt bijvoorbeeld ook letterlijk voor de Amerikaanse infrastructuur, die verouderd is en soms ook verwaarloosd. De verwoesting die orkaan Sandy kon uitrichten was minder geweest bij een betere infrastructuur – denk aan die bovengrondse elektriciteitskabels.

Dan is er de brandende kwestie van de toenemende ongelijkheid die de Amerikaanse droom van sociale mobiliteit steeds verder in de weg staat. Die inkomensongelijkheid is overigens niet nieuw. Voordat Obama aan de macht kwam was de trend al lang gezet, mede door het beleid van zijn voorganger Bush. De Grote Recessie van na 2007 kwam daar nog eens overheen.

Vorige week kwam het Congressional Budget Office – een onverdachte bron van informatie in het gepolariseerde Amerikaanse debat waar de feiten vaak niet zo heilig meer zijn – met een rapport dat eerdere vermoedens bevestigde. Het rapport gaat over de jaren 1979 tot 2007. „Elke bron van inkomen was minder evenredig verdeeld in 2007 dan in 1979”, aldus het CBO. En de bronnen van inkomen die van oudsher al meer geconcentreerd waren bij een kleinere groep, zoals bedrijfswinsten en beleggingswinsten, groeiden harder dan inkomen uit arbeid, dat veel breder is gespreid onder de bevolking. Het resultaat: tussen 1979 en 2007 groeide het inkomen van de 20 procent minst verdienenden met in totaal 18 procent. Het inkomen van de 20 procent best verdienende Amerikanen nam daarentegen toe met 65 procent. En het inkomen van de 1 procent mensen met de hoogste inkomens groeide zelfs met 275 procent.

Dat valt allemaal ook af te lezen aan de zogenoemde Gini-coëfficient, een cijfer tussen nul en 1 dat de inkomensongelijkheid weergeeft. Die daalde in Amerika van de Tweede Wereldoorlog tot het einde van de jaren zestig, hetgeen wijst op een toenemende maatschappelijke gelijkheid. Maar sindsdien klom hij volgens het Amerikaanse Census Bureau (het bureau voor bevolkingsonderzoek) weer, en belandde in 2011 op een recordhoogte. Onderzoek van het CBO wijst erop dat de kans voor Amerikanen om van de laagste 40 procent inkomens te belanden in de hoogste 40 procent lager is dan ooit. Dit geldt ook voor de kans op een val van de hoogste naar de laagste 40 procent. Mensen zitten meer dan ooit vast in de bevolkingslaag waar ze vandaan komen – het gevolg van achterstallig onderhoud aan de American Dream zelf.

Langdurige werkloosheid is een volgende uitdaging. Het geringe sociale vangnet heeft tot gevolg dat werklozen veel eerder dan in Europa in een neerwaarste spiraal terechtkomen. Aangezien werkervaring en vaardigheden steeds sneller verouderen, komen ze ook weer moeilijk aan de slag. De lage werkloosheidspercentages zijn deels te danken aan het feit dat veel mensen het zoeken naar een baan zeggen te hebben opgegeven.

Maar de grootste uitdaging wordt de normalisering van de overheidsfinanciën en het monetaire beleid. Nog steeds is er de verwachting dat economische groei het begrotingstekort zal doen verminderen. Maar de speelruimte is uiterst krap. Een crisis met de staatsschuld zal er van buitenaf niet zo snel komen: Amerika heeft zijn eigen munt en zijn eigen centrale bank en leent vrijwel volledig in dollars. De beleidsvrijheid is er veel groter dan bijvoorbeeld in de eurozone, waar wel één munt is en één centrale bank, maar geen centrale begroting.

Toch kan een volgende Amerikaanse president te maken krijgen met een vertrouwenscrisis in de dollar. De toekomstige uitgaven aan oudedagsvoorzieningen en de zorg zijn enorm, en er zijn vrijwel geen voorzieningen voor getroffen. De staatsschuld is nu al deels gefinancierd met aankopen door de centrale bank, de Federal Reserve, die zijn balans al heeft zien verviervoudigen. De vraag is of en hoe dat wordt afgebouwd, en of er een hogere inflatie moet worden toegestaan om de schuldenlast voor de overheid op deze manier te verlichten.

En dan is er nog de zogenoemde fiscale klip: begin volgend jaar loopt een groot aantal politieke compromissen af, waaronder die voor de staatsschuld van de zomer van vorig jaar. Als er geen nieuwe politieke overeenkomst komt tussen Democraten en Republikeinen, gaan er automatisch draconische bezuinigingen in met een waarde tot 4 procent van het bruto binnenlands product. Hoewel wordt verwacht dat er wel een compromis uit zal rollen, al is dat op het laatste moment, zal dan toch het vertrouwen in de Amerikaanse overheidsfinanciën op de markten worden getest.

Een nieuwe president krijgt zo te maken met een groot aantal belangrijke onderwerpen die tot dusverre zijn blijven liggen. Europa is niet het enige deel van de wereld waar ‘het blikje telkens verder de weg op is geschopt’. Ook Washington kan er wat van. Of het nu de langdurige werkloosheid is, de sociale mobiliteit, toekomstige sociale uitgaven, het normaliseren van het monetaire beleid of het saneren van de overheidsfinanciën: Obama of Romney krijgt het de komende vier jaar druk met de economie. Heel druk.