Mythologie

Gesloten luchthavens, ondergelopen tunnels, metro en veerboten buiten gebruik. Sport breekt in Amerika door alles heen. En dus was er ook geen denken aan de opening van het NBA-seizoen uit te stellen.

Gewoon live op televisie. Maar de marathon van New York – burgemeester Bloomberg durfde het op het allerlaatste moment niet aan. Sport is de nationale paradox van Amerika. American football hoort even goed bij Thanksgiving als een feesttafel met kalkoen. Een chroniqueur schreef: „Wie naar football kijkt, ziet het hart van het volk.” Een hart ook dat niet overslaat voor een flinke portie anabole steroïden en seksisme. De National Football League (NFL) is al even vergevingsgezind als de fanatieke aanhang voor criminele rafelranden. Want de sensatie van hoge scores, snelheid en fysiek geweld wordt gezien als historisch: een veroveringsritueel conform de pioniers die het land veroverden op indianen en andere volksvreemde flierefluiters.

Terreinwinst: slagader van de American Dream.

De drie andere grote sporten – honkbal, basketbal en ijshockey – delen het offensieve karakter van football, zij het met meer elegantie. Op de dag dat de beroemde footballspeler OJ Simpson werd vrijgesproken van moord op zijn (blanke) vrouw Nicole en haar vriend, keken 100 miljoen Amerikanen naar de live-uitzending. In vele huiskamers klonk applaus.

Ook in de verdwazing van aanbidding zijn Amerikanen onnavolgbaar.

Meer dan in Europa worden sporthelden op een mythologisch schild geheven. Ook daarom kon Lance Armstrong al die jaren zijn gang gaan in een epos van bedrog. Een volksheld val je niet zomaar af – in Texas. Het Dream Team uit 1992 met onder anderen Michael Jordan en Earvin Magic Johnson is nog steeds de ultieme referentie van schoonheid en passie. Al wonnen Kobe Bryant en de zijnen dit jaar in Londen ook de olympische basketbaltitel.

Nu we het toch over trawanten van Zeus hebben: ongenaakbaar in mythologische Dichtung zijn Jesse Owens en Muhammad Ali. De eerste won in 1936 op de Olympische Spelen van Berlijn vier gouden medailles in recordtijden die nog jaren stand zouden houden.

Muhammad Ali is helemaal onsterfelijk. Zoveel meer dan een bokslegende. Kroonjuweel van magie en humanisme. Een van de weinige topsporters die ook namens anderen spraken; namens talloze miljoenen die onder onvervalst racisme leden.

Nobel als de glans van een oude viool liet hij zijn geweten spreken.

Hij die niet tegen bloed kon, was een meester in de casuïstiek van het bloed.

Muhammad Ali stuurde niet zichzelf in de ring, hij stuurde een geest naar het canvas. Het voetenspel van die geest was ballet, niet bij te houden voor zwaargewichten. Soms leek het of hij de tango danste.

In zijn eentje.

Ik prijs me gelukkig en vertederd dat Muhammad Ali nog steeds onder ons is. Nu dan schuifelend en bevend in de bekken van de bankschroef Parkinson. Maar de ziekte heeft zijn uitstraling niet gebroken.

Ali zien verschijnen, maakt me nog steeds stil. Hij is het levende bewijs dat sport kan ingrijpen tot in de ingewanden van een samenleving. Antidotum voor het gif van racisme zelfs. Daar mocht er in Europese voetbalstadions ook wat meer van zijn.

Het standbeeld van menselijke waardigheid trilt, maar er ligt nog steeds een wereld aan zijn voeten. En in de geschiedschrijving van emancipatie en burgerrechten hoort hij naast Martin Luther King. Noem mij de wielrenner of voetballer die dit lachje van de revolutie ooit heeft benaderd?

In de verste verte niet.

Ali trotseerde drie jaar sportieve ballingschap als dienstweigeraar in Vietnam. Want, zo zei hij, over de Vietcong: „They never called me nigger.