Muze onder de stervelingen

Homerus, het Bauhaus, de New Look – Europa is meer dan een reizend circus tussen Brussel en Straatsburg. In een serie over de cultuur die het continent bindt: de poëzie van Sapfo.

Sapfo kwam van Lesbos en gaf haar naam – en die van haar geboorte-eiland – aan de gelijkgeslachtelijke liefde; maar of ze echt lesbisch was, kan niemand met zekerheid zeggen. De dichteres uit de archaïsch-Griekse tijd liet namelijk een oeuvre na waarmee je alle kanten op kunt; niet zozeer doordat haar poëzie moeilijk te duiden is, maar doordat slechts één van haar gedichten volledig is overgeleverd. Haar verzameld werk, het meest recentelijk vertaald door Mieke de Vos en verschenen in de klassiekenserie Perpetua, beslaat daarnaast 167 fragmenten, bewaard gebleven op snippers papyrus of als citaten bij andere schrijvers. Vele zijn niet langer dan een regel of zelfs een paar woorden. Mooie woorden, dat wel. Wat te denken van: ‘Ooit hield ik van je, Atthis, langgeleden…’ of: ‘Later, zeg ik je, zal men ons gedenken…’ Maar over Sapfo’s seksuele identiteit geven ze geen uitsluitsel. Ze dichtte verzen die hartstochtelijk de liefde voor vrouwen bezingen, verzen die de schoonheid van stoere mannen en jonge bruidegoms verheerlijken, en verzen die het object van de begeerte in het obscure houden:

Jij kwam vol verlangen en ik smachtte naar je,

Je bracht verkoeling voor mijn brandend hart

Ook van Sapfo’s leven is weinig bekend. Ze werd in Mytilene geboren tussen 630 en 612 v. Chr. en stierf volgens de traditie rond 570. Ze kwam waarschijnlijk uit een aristocratische familie, had drie broers en kreeg een dochter, Kleïs. Op basis van een inscriptie in marmer van vierhonderd jaar na haar dood neemt men aan dat ze tussen 604 en 594 in politieke ballingschap leefde op Sicilië, waarna ze weer terugging naar Lesbos. Dat ze oud is geworden, maken de geleerden op uit haar 58ste gedicht, een dubbelfragment dat in 2004 inventief werd aangevuld en geïnterpreteerd door een Britse classicus. Sapfo klaagt in de tweeëntwintig gedeeltelijk overgeleverde regels dat haar huid is gerimpeld en verslapt en dat haar ‘ooit zo zwarte haar langzaam wit is geworden’. Maar dat kan natuurlijk gewoon dichterlijke vrijheid zijn; reeds de oude Grieken beperkten zich in hun gedichten niet tot autobiografie.

Het gebrek aan biografische bronnen en de gatenkaas die haar oeuvre is, maakten van Sapfo al snel een mythe. Sterke verhalen kleefden aan haar persoon. Een dikke eeuw na haar dood bracht de geschiedschrijver Herodotus haar in verband met een van de beroemdste courtisanes van de Griekse wereld – Sapfo’s broer zou zich zó aan deze Rhodopis verslingerd hebben dat hij door zijn zusje daarvoor in een gedicht gekapitteld werd. Een ander verhaal dat wijde verspreiding vond – onder meer dankzij de Griekse toneelschrijver Menander en de Latijnse dichter Ovidius – was de dramatische zelfmoord van Sapfo: na een onbeantwoorde liefde voor Faon, een mythologische figuur die door Afrodite was begiftigd met bovenaardse schoonheid, zou ze van de witte rotsen op het eiland Lefkas zijn gesprongen. En dan was er nog haar vermeende loopbaan als een soort rectrix van een meisjeskostschool, iets wat de geesten in vooral Victoriaans Engeland danig zou verhitten.

Sapfo’s kuisheid en dramatisch verlopen liefde voor Faon zetten in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd de pennen in beweging, van Boccaccio (Over beroemde vrouwen, 1360) tot de Oostenrijkse toneelschrijver Grillparzer (Sappho, 1818); haar lesbische gedichten en gepassioneerde verhoudingen werden een thema in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen Sapfo de lieveling werd van zowel Decadenten als Academisten. Baudelaire en Verlaine lieten haar figureren in hun gedichten, net als Algernon Charles Swinburne en Willem Kloos. De schilder Lawrence Alma-Tadema baseerde een dromerig, ultraklassiek schilderij op de bewondering die Sapfo zou hebben gevoeld voor haar collega Alkaios; Charles-Auguste Mengin beeldde Sapfo af als een donkere femme fatale met haar borsten pront vooruit en haar lier in de aanslag.

Zoals de mythologische Helena duizend schepen deed uitvaren, zo zette de historische Sapfo duizend kunstenaars aan om haar te vereeuwigen, van schilders tot beeldhouwers en van operacomponisten tot popmusici. Maar veel belangrijker is de invloed die ze uitoefende op de dichters en schrijvers die na haar kwamen. De heldere taal, de persoonlijke toon, de intrigerende metaforen en de muzikaliteit van de verzen (die zelfs zonder het begeleidende lierspel opklinkt) – het werd allemaal geïmiteerd en geïnternaliseerd; eerst door klassieke dichters als Theokritos, Horatius en Catullus (die de heldin uit zijn liederen zelfs Lesbia noemde), daarna door auteurs uit later tijden, van Donne en Dryden tot Boutens en Bloem. Voor veel vrouwelijke dichters werd Sapfo een heldin en een voorbeeld; grootheden in de dop als Marguerite Yourcenar en Hilda Doolittle reisden zelfs naar Lesbos om er inspiratie op te doen. En naar de sporen van Sapfo in het werk van Elizabeth Barrett Browning, Ida Gerhardt en Jeanette Winterson hoef je niet lang te zoeken.

‘De tiende muze’ werd Sapfo door Plato genoemd; een terechte bijnaam voor een dichter die zoveel talenten heeft geïnspireerd. Dat er maar zo weinig van haar werk is overgeleverd, komt dan ook niet door gebrek aan kwaliteit of censuur in later eeuwen (zoals lang gedacht is), maar vooral omdat ze niet schreef in standaard-Grieks maar in een obscuur Aeolisch dialect. Sapfo zelf zou met de oogst na tweeënhalf millennium niet eens ontevreden zijn; de lat voor het onvergankelijke ligt nu eenmaal hoog. Zoals ze dichtte in fragment 50:

Wie mooi is, is mooi zolang je kijkt,

Wie mooi en goed is, zal mooi blijven